Horst & Gisela Cohen

Horst Cohen (1912) overleefde Westerbork dankzij zijn functie als hoofd van de Fliegende Kolonne (FK), de bagage- en pakkettendienst van het kamp. Hij trouwde tijdens de oorlog met Gisela Cohen (1910) die net als Horst als Joodse vluchteling aan het einde van de jaren dertig in Nederland terecht was gekomen.

Twee leden van de FK aan het werk bij een transport.

Horst & Gisela Cohen

De ontmoeting
‘De eerste vrouw van Horst Cohen heeft in september 1944 in Westerbork zelfmoord gepleegd. Dat was een heel mooi meisje. Dat gebeurde in Westerbork veel vaker, zelfmoorden.’
Inge Gassmann-Baumann (1923), vriendin van Horst en Gisela en huisgenoot in kamp Westerbork.

‘Ik had een oudere vriendin die in het laboratorium werkte. Haar naam was Gisela Wolf. Ze was uit Wenen naar Westerbork gekomen, alhoewel ze oorspronkelijk Pools was. Een charmante en mooie vrouw. In het kamp ontmoette ze Horst Cohen en trouwde met hem. Ik ben nog op het huwelijk geweest (26 augustus 1943). Via haar heb ik later nog een baantje in het laboratorium gekregen. Ze had daar een hoge positie.’
Erica van Adelsberg (1928) in een interview voor United States Holocaust Memorial Museum.

Leven in de barak
‘Mijn man en ik woonden samen met de Cohen’s in een barak. Het was een tweekamerwoning. Als je binnen kwam had je eerst een klein keukentje. We hebben daar lekkere gerechten gekookt uit de Poolse en Hongaarse keuken. Kartoffelgoulash heb ik daar onder andere geleerd te maken. Dat maak ik nu nog steeds weleens.

Als je dan verder liep kwam je in de grootste kamer. Daar sliepen Horst en Gisela. Zij behoorden tot de Alte Lagerinsassen aangezien hij al voor juli 1942 in het kamp verbleef en zij met hem getrouwd was. Daardoor hadden ze recht op een betere kamer dan ons. Ze hadden in die kamer onder andere een grammofoon staan. Ik heb in Westerbork Beethoven leren kennen via hen… Er stond ook een grote tafel. Daar hebben we met z’n vieren vaak aan gezeten.’
Inge Gassmann-Baumann (1923).

Om 8.55 uur komt de trein, en hij vertrekt om 9.55 uur. En dan moet alles ingeladen zijn, levensmiddelen, bagage en duizend Joden. De bagage wordt gegooid, de mensen geduwd, en er wordt geschreeuwd, opdat het vlug genoeg gebeurt.

Het werk van de FK bij transporten
‘Vandaag is het vrijdag, transportdag. Wij rekenen de weekdagen volgens de transporten. Van gisterochtend tot vanmorgen hebben we de bagage uitgedeeld, en vanmorgen moesten we alles weer inzamelen, om het naar de trein in de bagagewagon te brengen. Ook de levensmiddelen moeten naar de trein. Om vijf uur s’ morgens moet alle bagage voor de barakken liggen, dan gaan wij alles ophalen, laden het in de vrachtwagens, rijden daarmee naar het station (als je dat stukje spoor in Hooghalen zo durft te noemen) en stapelen het daar op het perron. Om 8.55 uur komt de trein, en hij vertrekt om 9.55 uur. En dan moet alles ingeladen zijn, levensmiddelen, bagage en duizend Joden. De bagage wordt gegooid, de mensen geduwd, en er wordt geschreeuwd, opdat het vlug genoeg gebeurt.’
Max Grüber (1922), medewerker van de FK in oktober 1942.

Het werk van de FK bij binnenkomende postpakketten
‘We waren betrokken bij de verdeling van inkomende pakketten. In onze FK-barak stond een enorme tafel en aan het ene eind zat Horst Cohen of zijn plaatsvervanger Gassmann. In het midden zat ik met een typmachine met een SS’er naast me en daar werd de pakketcontrole gedaan. Boter, sigaretten en dat soort zaken moesten eruit gehaald worden en dat moest ik registreren. Wat eruit de pakketten werd gehaald ging in een grote bak en die bak werd naar de Kommandantur gebracht. Aan de andere kant van de tafel stonden vervolgens collega’s van de FK die rest van het pakje naar de mensen in de barakken brachten.’
Marianne Sigler-Breyer (1922) in een interview voor het Visual History Archive van de USC Shoah Foundation.

‘Wij moesten met een soort van kruiwagen de bagage naar een barak brengen. Daar werd uitgezocht wat bij wie hoorde en waar dat heen moest. Een deel van die spullen werd naar de mensen gebracht, maar een deel werd er door Duitsers uitgehaald. Eén van mijn collega’s, een oudere collega, pakte stiekem ook wat en werd gesnapt. Zij moest met de volgende trein mee. Mijn ouders prentten me toen op het hart dat ik, hoe graag ik het ook zou willen en hoe groot de kans was dat het goed zou gaan, de spullen moest laten liggen.’
Doris Lissauer (1927).

FK-band.

Verzet
‘In juli 1944, na de invasie in Frankrijk, kwam er een OD’ers bij me en nam mij mee naar een geheime plek buiten het kamp waar ik iemand van het verzet ontmoette. Daar kreeg ik te horen dat ik alle transportlijsten en dergelijke andere lijsten die zich bij ons op de FK in verband met de bagage bevonden, handmatig moest kopiëren. Dat heb ik vervolgens gedaan, ‘s nachts, samen met de leider van de FK, Horst Cohen. Hij noemde de namen op en ik typte ze vervolgens op lijsten uit. Zo werd een clandestiene cartotheek van het kamp gefabriceerd.’
Marianne Sigler-Breyer (1922).

‘We moesten in het geheim ook lijsten maken van mensen die waren overleden in andere kampen zoals bijvoorbeeld Ravensbrück. Die zou overleden zijn aan hartinfarct, die aan een andere medische aandoening. Dat deed wel een lichtje bij ons branden, al die jonge vrouwen die door “een ziekte” waren omgekomen. Dat uittypen verliep volgens mij allemaal via de communistische verzetsorganisatie die in het kamp actief was.’
Inge Gassmann-Baumann (1923).

Nawoord
De in Berlijn in 1912 geboren Horst Cohen kwam in april 1940 met zijn vrouw Gerda Spott-Cohen in kamp Westerbork aan. Na hun scheiding in juli 1942 kreeg hij een relatie met Gisela Wolf, sinds oktober 1942 in Westerbork woonachtig.

Na de bevrijding vertrokken Horst en Gisela naar Amsterdam. Aan het einde van de jaren veertig emigreerde het stel naar Californië. Ze veranderden hun namen in Horst en Gisella Wall. De meeste van hun kinderen en kleinkinderen zijn nog altijd aan de westkust van de Verenigde Staten woonachtig.