Isaac Springer

19,25 Gulden. Het bedrag dat Isaac Springer op 10 april 1943 bij leden van de Lippmann & Rosenthal bank in kamp Westerbork inleverde. Het was waarschijnlijk het laatste geld dat hij destijds bezat.

Het personeel van Lippmann en Rosenthal bank in kamp Westerbork.

Isaac Springer

Het moet een drukte van jewelste in kamp Westerbork zijn geweest op 10 april 1943. 1.286 mensen uit het westen van het land kwamen die dag in het kamp aan. Mannen, vrouwen en kinderen uit Den Haag en Amsterdam, uit Utrecht en, zoals de familie Springer, uit Rotterdam. Isaac Springer werd op 18 juli 1900 in Rotterdam geboren als zoon van Philip Springer en Elisabeth Roselaar. Rond 1940 verdiende hij de kost als vishandelaar en was getrouwd met Roosje Lavino (1900) met wie hij vijf kinderen had: Elisabeth (1922), Teuna (1923), Philip (1926), Saartje (1927) en Netty (1929). Elisabeth was in 1943 inmiddels getrouwd en uit huis, de rest van de kinderen woonden nog thuis.

Na binnenkomst werden Isaac Springer en zijn gezinsleden met de andere gearriveerde gevallen naar de registratie geleid. Hun persoonsgegevens werden door tientallen, voornamelijk vrouwelijke, kampgevangenen op kaarten genoteerd. Hierna volgde in een kleinere ruimte van barak 9, dat eveneens dienst deed als theater, kantine en café, de visitatie door leden van de Lippmann & Rosenthal bank.

Lippmann, Rosenthal & Co was voor de Tweede Wereldoorlog een kleine Amsterdamse bank geleid door twee Joodse families. In 1941 kreeg de bank net als vrijwel alle Joodse bedrijven een Verwalter, een persoon die in opdracht van de nazi’s het bedrijf ging leiden. Alfred Flesche bleek geen onfatsoenlijk man die de twee Joodse firmanten en de moeder van één van hen voor deportatie wist te behoeden en ervoor zorgde dat hun vermogens intact bleven. Kort na zijn aanstelling kreeg Flesche de opdracht een filiaal van de bank aan de Sarphatistraat in te stellen. Dit filiaal zou in naam onderdeel uitmaken van de bank maar voor de rest zelfstandig opereren. De Duitse bankier dr. Walter van Karger werd tot directeur benoemd.

Op 8 augustus 1941 verscheen de verordening dat de Joodse bevolking van Nederland al hun contante geld en cheques, voor zover tezamen meer waard dan duizend gulden, op een rekening van de Lippmann & Rosenthal bank, afdeling Sarphatistraat moesten storten. Hun effecten moesten zij in depot geven en al hun tegoeden en deposito’s bij andere banken moesten naar de Liro-bank worden overgeschreven. Eerst golden deze bepalingen alleen voor Joden die een vermogen hadden van meer dan tienduizend gulden en die in 1940 meer dan drieduizend gulden hadden verdiend. Vanaf maart 1942 gold die beperking niet meer. Vanaf 30 juni 1942 was het bedrag waar een Joodse man of vrouw per maand over mocht beschikken zelfs gedaald naar 250 gulden. De rest van het vermogen werd gestald bij de Liro-bank.

De kwitantie die Isaac ontving in kamp Westerbork.

Het was op dezelfde dertigste juni 1942 dat er derde filiaal van de Liro-bank werd geopend. ‘De NSB’ers van de “Bank” waren aanwezig en stonden langs de kant te kijken; zij gingen met dezelfde trein. Sadist Scheltens aan het hoofd, loerende bruine hyenakop, muisgrijze inhalige ogen, verbeten lippen, uitstekende jukbeenderen, zwarte rijbroek, hoge laarzen. Zijn gevolg bestond uit een tiental NSB-jongens, de helft ongeveer in NSB-uniform. Dat was de Westerborkse-plundercompagnie van de “Firma”‘, aldus kampgevangene Siegfried van den Bergh (1912) die op 30 juni als medewerker van de Joodse Raad eveneens naar kamp Westerbork werd gezonden. Medewerkers van de Joodse Raad als Van den Bergh zouden gedurende de oorlogsjaren onder andere als administratief personeel van de Liro-bank in Westerbork worden ingezet.

De Liro in Westerbork fungeerde als een laatste vangnet. Door de ‘toewijding’ van de ambtenaren raakten veel mensen hun allerlaatste bezittingen kwijt. Hierbij speelden zich vreselijke taferelen af: de gevangenen moesten vernederingen en bespottingen, maar ook fysiek geweld ondergaan, want de Liro wilde alles hebben. ‘Onder het personeel van Lippmann en Rosenthal bevond zich ook een vrouw. Zij was er speciaal voor fouilleren van vrouwen – juffrouw Meyer. Het mannelijk personeel trad schandalig op, echter zoals deze vrouw optrad tart alle beschrijvingen. Zij zoog de vrouwen die onder haar kwamen, praktisch gezegd uit. Bij fouillering moesten zij zich volledig ontkleden. De kledingstukken doorzocht ze stuk voor stuk […]. Knipte het elastiek van de directoires in stukjes, zo groot dat van elkaar naaien geen sprake meer was, schouderbordjes van hemden en onderjurkjes werden kapot geknipt’, zo schreef een anoniem gebleven kampgevangene in een verslag kort na de bevrijding.

Of Isaac Springer en zijn gezin met dergelijke handelingen te maken hebben gehad is niet geheel duidelijk, maar wel waarschijnlijk. In het archief van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork bevindt zich de kwitantie die Isaac in Westerbork van de medewerkers van de Liro ontving. Erop vermeld het bedrag van 19,25 gulden, waarschijnlijk het laatste contante geld dat hij destijds in zijn bezit had.

In het archief van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork bevindt zich de kwitantie die Isaac in Westerbork van de medewerkers van de Liro ontving. Erop vermeld het bedrag van 17,50 gulden, waarschijnlijk het laatste contante geld dat hij destijds in zijn bezit had.

Na het afgeven van zijn laatste bezittingen werden Isaac Springer en zijn gezin naar hun woonverblijf gestuurd. Barak 57 was een zogeheten grote woonbarak, een gebouw van pakweg 80 bij 10 meter omvang, volgestouwd met stapelbedden driehoog. Her en der lagen nog wat schoolspullen op de vloer – barak 57 had in de eerste maanden van 1943 als schoolbarak gefungeerd. 255 Rotterdamse Joden kwamen op 10 april 1943 in de overvolle barak terecht.

De meeste van deze 255 Rotterdamse gevangenen werden na enkele dagen doorgestuurd naar het vernietigingskamp Sobibor. Zo niet Isaac en zijn familie. Bij binnenkomst verklaarde Roosje dat haar moeder, Teuna Stolk, van niet-Joodse afkomst was. Dit zou betekenen dat zowel Roosje als haar kinderen zogeheten ‘Mischlinge’ waren, kinderen uit een gemengd huwelijk. ‘Mischlinge’ werden over het algemeen door de nazi’s niet naar het Oosten gedeporteerd. Roosje’s verklaring betekende dat het gezin Springer – inclusief Isaac – tot de zaak was uitgezocht, voorlopig van transport was vrijgesteld.

Na enkele weken volgde definitief uitsluitsel: Roosje’s verklaring werd gegrond verklaard. Zij en haar kinderen werden niet langer als ‘volbloed Joden’ beschouwd. Ze moesten nog ruim negen maanden in Westerbork verblijven, maar werden uiteindelijk op 29 januari 1944 uit het kamp vrijgelaten.

Isaac Springer bleef zonder zijn gezin in kamp Westerbork achter. Op transport hoefde hij echter niet, hij was nu officieel getrouwd met een niet-Joodse vrouw en dus gemengd gehuwd geworden, wat een ‘Sperre‘ voor het Oosten inhield. In de loop der tijd verhuisde Isaac van barak naar barak, van grote zalen naar kleine woningen. Bij de bevrijding van kamp Westerbork bevond hij zich in barak 16, een paar weken later kwam hij in een huisje in barak 42B terecht, in een klein “appartement” dat hij met andere voormalige gevangenen deelde. Het zou nog tot eind juni van het bevrijdingsjaar duren voor Isaac kon terugkeren naar Roosje en de kinderen in Rotterdam.

Na de bevrijding bleken veel familieleden de Tweede Wereldoorlog niet overleefd te hebben.

Isaac Springer is op 8 januari 1969 in Rotterdam overleden.