Isidor & Charlotte Küttner

In de zomer van 1945 gingen de schokkende filmbeelden van de bevrijding van het concentratiekamp Bergen-Belsen de wereld over. Te zien waren duizenden doodzieke mensen die direct medische verzorging nodig hadden. Die kwam er, uit onverwachte hoek.

Gevangenen voor het ziekenhuis van kamp Westerbork in 1944.

Isidor & Charlotte Küttner

Onder enorme media-aandacht begon op 20 november 1945 in Neurenberg het proces tegen de nog belangrijkste in levende zijnde nazikopstukken. Honderden journalisten waren die dag aanwezig om het openingspleidooi van de Amerikaanse hoofdaanklager Robert H. Jackson aan te horen. Ruim een week later was er van grote publieke belangstelling geen sprake meer. De eerste fase van het proces was door de geallieerden gebruikt om de achtergronden van de aanklachten uit te diepen. Het voordragen van honderden documenten met veelal dezelfde strekking had de pers doen vertrekken. Jackson, beseffend dat het proces niet alleen in de rechtszaal, maar ook in de publieke opinie gewonnen moest worden, besloot tot een strategiewijziging.

Op de tiende dag van het proces liet de hoofdaanklager een filmprojector naar het gerechtsgebouw brengen. De door Hollywood regisseur George Stevens samengestelde film die vervolgens vertoond werd, schokte de aanwezigen. Op de beelden die voorbij kwamen zag men de verschrikkingen die de geallieerden bij de bevrijding van de concentratiekampen hadden aangetroffen.
The screen filled with images of skeletal men and women, crematoria and gas chambers, the scarred and disfigured bodies of women who had survived medical experiments, mound upon mound of cadavers whose sticklike arms and legs gave the appearance of jumbled piles of driftwood… and tractors pushing the dead into mass graves like contaminated jetsam’, zo schreef de Amerikaanse historicus Robert E. Conot later.
Na afloop van de film vluchtte de Engelse voorzitter van de rechtbank, Sir Geoffrey Lawrence, zonder de sessie te schorsen, de zaal uit.

Gemmeker beval daarop dat deze man door middel van een injectie alsnog ter dood moest worden gebracht. Nadat twee artsen al geweigerd hadden, besloot Küttner uit angst voor represailles, het vonnis te voltrekken

Veel van in Neurenberg vertoonde beelden kwamen uit het concentratiekamp Bergen-Belsen. Het waren de Britten die het kamp op 15 april hadden bevrijd. Bij aankomst ontdekten ze niet minder dan 10.000 met tyfus geïnfecteerde lijken die open en bloot door het kamp verspreid lagen. 40.000 gevangenen bleken nog in “leven”: in vergaande staat van uitputting als gevolg van langdurige uithongering en ondervoeding, waren deze gevangenen amper in staat om hun bevrijders blijdschap of dankbaarheid te tonen.

De geallieerden beseften al snel dat het onmogelijk zou zijn om de zieke gevangenen op korte termijn te repatriëren. Ze konden evenmin aan hun lot worden overgelaten. Op slechts enkele kilometers van het concentratiekamp werd in juli 1945 een Displaced Personscamp ingericht. Uit heel Europa werden in de periode 1945-1949 bevrijde gevangenen naar Bergen-Belsen gebracht om hier verzorgd te worden en aan te kunnen sterken. Vanaf september 1946 was het kamp een exclusief Joods DP-camp voor meer dan 11.000 voormalige gevangenen.

Voor het Joodse hospitaal in Bergen-Belsen zochten de Britten capabele artsen die al enige ervaring hadden in het verzorgen van concentratiekampgevangenen. Al op 15 april verstuurden zij een bericht naar Westerbork met de vraag of het daar nog aanwezige medische personeel zich van deze taak wilde kwijten. Vrijwel alle artsen en verpleegkundigen toonden zich bereid.

Tot de groep betrokken medici behoorde Isidor Salomon Küttner (1897). Dr. Küttner werkte sinds het begin van 1943 in het ziekenhuis van kamp Westerbork. Op het hoogtepunt van zijn bestaan werden in het ziekenhuis van het kamp meer dan 1.500 mensen verzorgd door 1.000 verplegen personeel en 100 artsen. De mensen moesten nu eenmaal gezond en sterk zijn wanneer ze op transport werden gesteld naar het Oosten, zo verklaarden de nazi’s. Daar zou immers arbeid verricht moeten worden. Op de achtergrond speelde de schijnwereld van Westerbork: de gedachte eerst uitmuntende medische zorg te krijgen viel moeilijk te rijmen met het idee dat men vervolgens een paar dagen later in een onbekend kamp in Oost-Europa vermoord zou worden.

In de ruim twee jaar dat Isidor Küttner als arts in Westerbork fungeerde, werd hij voor loodzware morele dilemma’s geplaatst. Als bekende vooroorlogse chirurg behoorde Kuttner tot de leidende figuren binnen de ziekenhuisorganisatie. Door een persoon “ziek” te verklaren, bezat hij de macht om hem of haar voorlopig te vrijwaren van transport. In de praktijk balanceerde Küttner constant op een onzichtbaar koord: enerzijds wilde hij zoveel mogelijk mensen helpen om in Westerbork te blijven, anderszijds zou het natuurlijk opvallen wanneer er massaal mensen ziek verklaard werden.

Ook op andere terreinen liep Dr. Küttner tegen moeilijke vraagstukken aan. Begin september 1944 probeerden veertien kampgevangenen de laatste transporten te ontlopen door te vluchten. Van de veertien ontkwamen er tien, de rest werd gepakt. Zij werden diezelfde dag nog door kampcommandant Gemmeker bij Polizeistandgericht ter dood veroordeeld, een order die direct werd uitgevoerd. Met een nekschot werden de vier personen geëxecuteerd. Eén gevangene bleek echter nog in leven. Nadat het executiepeloton was vertrokken, kroop hij terug naar het kamp. Gemmeker beval daarop dat deze man door middel van een injectie alsnog ter dood moest worden gebracht. Nadat twee artsen al geweigerd hadden, besloot Küttner, uit angst voor represailles, het vonnis te voltrekken.

Isidor Küttner verbleef ruim een jaar in het DP-camp in Bergen-Belsen. In 1946 keerde hij met zijn vrouw Charlotte (1891) terug naar Nederland.