Israël Muller

Joseph Muller beschrijft het leven van zijn vader, de uit Groningen afkomstige Israël Levie Muller (1908), die in het voorjaar van 1945 als gevangene in kamp Westerbork terechtkomt.

Israël Muller aan het werk in kamp Westerbork.

Israël Muller

‘Ik ben geboren in Groningen, evenals mijn broer Roelof. We hebben altijd in Groningen gewoond. Mijn vader Israël Levie Muller had met zijn ouders voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog een tijdlang in Duitsland gewoond maar was rond 1920 toch weer teruggekeerd naar Groningen. Daar heeft hij mijn moeder leren kennen. Zij was een levendig type, vlot, vrolijk, vooral opgewekt (had ik dat maar van haar geërfd in mijn genen). Zij mocht graag dansen en uitgaan. Maar mijn vader was geen uitgaanstype, vrij in zichzelf gekeerd, vooral geen danstype. Toch sloeg de vlam over. Mijn vader was een knappe kerel (“knappe Jood”, zeiden ze toen op zijn werk; ze wisten allemaal dat hij Joods was, maar hij werd toch met rust gelaten omdat hij zich gedeisd hield – “Geen golfje maken”, was zijn devies).

Mijn vader was van huis uit Joods, mijn moeder niet. Dat was in die tijd heel gewaagd: Joden en christenen, dat kon je niet maken. Het waren werelden apart en de Joden stonden wel helemaal onderaan de maatschappelijke ladder. Toch liet de liefde zich niet dwingen. Mijn vader ontmoette mijn moeder op het kledingatelier van Levie, waar ze beiden werkten.

De familie Heideveld, de familie van mijn moeder, was niet in de wolken. De familie Muller trouwens ook niet. Hoe de toestand was, laat zich raden. Toch werd er doorgezet (bovendien was ik op komst) en er werd dus getrouwd. Wie er op de bruiloft waren en hoe dat ging, weet ik niet. Wel kregen ze van beide ouders zoveel geld mee dat ze er een hele huishouding van konden kopen. Na het huwelijk was er geen contact meer tussen de Mullers en de Heidevelds. Wel mijn vader, die kon het zeer goed vinden met ‘opa vader’ en zijn zwagers Heideveld. Tot het eind van zijn leven – hij is negentig geworden – heeft mijn vader met verschillende ooms opgetrokken. Hij is er in de oorlog liefderijk opgenomen.

Israel Muller in zijn jonge jaren met vrienden.

We hadden het niet slecht in mijn jeugd. Mijn ouders verdienden goed in de confectie-industrie en het ontbrak ons aan niets. Toch was mijn vader niet gelukkig met zijn werk. Mijn vader was zeer intelligent en had een brede belangstelling voor een hoop dingen. Hij was gek op klassieke muziek; dat is hij zijn hele leven gebleven. Na de lagere school had hij willen doorleren, maar omdat er geen geld was, kon dat niet. Een oom was kleermaker en besloten werd dat ook hij maar in dat vak moest worden opgeleid. Hij werd zeer tegen zijn zin naar een school gestuurd waar kleermakerij werd onderwezen. Hij ging er met lood in de schoenen naartoe en zijn hele verdere leven heeft hij dat ook verfoeid. Wat had hij er een hekel aan! Niettemin heeft hij er zijn hele leven een zeer goede boterham mee verdiend.

Aan ons onbezorgde leventje kwam een eind toen de oorlog in 1940 uitbrak. De Duitsers vielen ons land binnen. Modern materieel hadden ze; wij boeren keken onze ogen uit: tanks, vrachtwagens, kanonnen (die hadden we nog nooit gezien). Wapens, uniformen. Ze waren zo gekleed met hun stalen helmen en kledij dat we alleen daarom al bang voor ze waren.

Mijn vader werkte op een confectiefabriek. Daar werkten vele Joden. Op een slechte dag mochten ze daar niet meer werken. Zo ook mijn vader. Plotseling was hij zonder inkomen. Kort daarna moest hij als gemengd gehuwde Jood in Havelte werken voor de bezetter. Ze moesten daar een vliegveld aanleggen.

 Het Jood-zijn heeft mijn vader zijn hele leven zwaar gedrukt. Wij kennen de discriminatie van zijn jeugd niet. Dat was niet fraai. Hij wilde beslist niet dat we zijn kleinkinderen naar hem vernoemden.

Mijn moeder, mijn broer en ik bleven in ons huis; we woonden toen in de Schoolstraat. Echter niet voor lang. Plotseling kwamen er Duitsers in ons huis en vertelden dat we er binnen vierentwintig uur uit moesten. Wij werden ondergebracht bij onze familie van moederskant. Daar begon dus voor ons de ellende. De oorlog werd steeds benauwder. Eten kwam op de bon, alles werd schaars, maar dan ook alles. Geen elektriciteit, geen kolen, geen kleding. Wat een merode!

Bij mijn moeders familie waren we welkom. Het huis was vol mensen. Later kwam mijn vader er ook nog een tijdje wonen. Hij kwam uit het kamp in Havelte terug. Hij moest toen voor de Organisation Todt werken, loopgraven en tankvallen graven. Hij was tot dan toe van deportatie gered, omdat hij gemengd gehuwd was.

Vader werd toch nog weer gearresteerd door een NSB-ploeg onder aanvoering van Jacob Luitjens, een beruchte handlanger van de nazi’s. Hij kwam in een kelder in Helpman terecht, onder de school. Daar in een cel werd hij enige dagen gevangen gezet, zonder eten of drinken. Hij mocht niet naar de WC. En ze zeiden: Als hij wat doet, dat hij het dan moest opeten. Hij moest uiteraard toch zijn behoefte doen, deed het in zijn pet en kon het geheel verstoppen. Hij werd na dagen uit dat hok gehaald met de mededeling: “Der Jude, der wird erschossen”. Hij zag zijn leven al voorbij gaan. “Ik had doodsangst’’, zei Pa later. Dit gebeurde echter niet, hij werd naar het Scholtenshuis op de Grote Markt gebracht, later naar het oude politiebureau en nog later naar Kamp Westerbork.

Mijn vader had het in Westerbork tot de bevrijding redelijk goed. Doordat er geen transporten meer gingen, was de doodsangst er niet meer. Er was te eten, er kon gedoucht worden, er was zelfs warmte in de barakken. Hij moest werken: accu’s uit elkaar halen voor lood. In een loods stonden duizend in beslag genomen radio’s. Iedere Nederlander had zijn radio moeten inleveren. Daar werden allerlei onderdelen uit gehaald. Aan het eind van de oorlog hebben de Duitsers al die radio’s in elkaar geslagen.

Mijn vader kwam in april 1945 thuis. “Thuis” was nog steeds bij mijn moeders familie op de Petrus Campersingel. Het gezin was eindelijk weer verenigd, althans wij vieren. Zijn ouders en zusters zijn nooit teruggekomen.

Mijn vader deed pogingen om ons oude huis terug te krijgen. Dat lukte niet; het huis was in de oorlog door Duitse vrouwelijke soldaten bewoond. Na de oorlog stond het huis een tijdlang leeg. Het werd aan andere mensen verhuurd en werd door die huurders niet aan ons teruggegeven.

Evenwel stonden de teruggekeerde Joden niet helemaal alleen. Er werd door de overheid veel medewerking verleend. Er was een huurcommissie van de gemeente die woonruimte verdeelde. Zo kon mijn vader een huis krijgen op de Coehoornsingel (achter de toenmalige brandweerkazerne). Het huis was gemeubileerd. De bewoner was een NSB’er en zat in een kamp. Ofschoon mijn vader het niet fair vond om daar gebruik van te maken, werd toch besloten om te verhuizen. Het was een “gribus” – een uitgeleefd huis, verveloos, in een morsige buurt.

De familie Muller op het strand.

Jaren na de Tweede Wereldoorlog werd pa verzocht door de War Crimes Commission van de V.N. om in Vancouver (Canada) te getuigen tegen Jacob Luitjens: de man die hem opgepakt had in de oorlog. Deze man was, zoals zovelen, gevlucht naar Paraguay, later naar Canada, waar hij hoogleraar werd op een universiteit. Hij werd Canadees. Hollanders daar ontdekten toen zijn voorgeschiedenis en brachten de bal aan het rollen.

Die tocht naar Vancouver was een hoogtepunt in het leven van vader. Hij had nog nooit gevlogen en dat was dus een hele belevenis. Ze werden door de Canadese regering in de watten gelegd. Dure hotels, diners, uitstapjes. Hij werd voorgesteld aan de Nederlandse ambassadeur daar. Bovendien is Vancouver een pracht stad. Nog jaren daarna kon hij erover vertellen.

De Nederlandse regering trok in de jaren tachtig en negentig een hoop geld uit om mensen die in concentratiekampen hadden gezeten, verzetsmensen, Joden en anderen, een uitkering te geven. Met zijn AOW en de uitkering van de WUV had hij een onbezorgde oude dag. Hij is op 90-jarige leeftijd overleden. Mijn moeder met 83.

Het Jood-zijn heeft mijn vader zijn hele leven zwaar gedrukt. Wij kennen de discriminatie van zijn jeugd niet. Dat was niet fraai. Hij wilde beslist niet dat we zijn kleinkinderen naar hem vernoemden. Israel Levie Muller. Hij wilde de kinderen geen stigma meegeven. Hij wilde ook niets over de oorlog, zijn familie, weten. Hij stootte het af. Wilde het er niet over hebben. Verhalen over zijn ouders, zusters, ooms, tantes, hebben we nooit van hem gehoord.’