Jacob & Betty Cohen

Jacob Cohen had na de Tweede Wereldoorlog een rijk sociaal leven. Tijdens de oorlogsjaren zat hij samen met zijn vrouw Betty meer dan anderhalf jaar in kamp Westerbork opgesloten. Dit portret werd samengesteld door oud-geschiedenisdocent Hans Piek.

Vrouwen aan het werk in het levensmiddelenmagazijn (aardappelkeuken) van kamp Westerbork.
Vrouwen aan het werk in het levensmiddelenmagazijn (aardappelkeuken) van kamp Westerbork.

Jacob & Betty Cohen

Op 29 september 1943 werden, zoals de bekende Nederlandse historicus Jacques Presser in zijn monumentale boek ‘De Ondergang’ beschreef, ‘…de onmisbaarsten van de onmisbaren uit hun huizen gehaald’. Op gemengd gehuwden, Portugese Joden en nog een paar kleine groepen na waren er toen geen Joden meer in Amsterdam.

Jacob Cohen (1904) en zijn vrouw Betty (1907) waren een week tevoren in kamp Westerbork aangekomen. Bij binnenkomst hadden zij een registratiekaart gekregen waarop een aantal aantekeningen waren gemaakt. Op de kaart van Jacob was ‘Angest.J.R.’ geschreven, verwijzend naar zijn werkzaamheden bij de Joodse Raad. Het waren deze werkzaamheden waardoor hij tot de laatsten met een vrijstelling had behoord.

Jacob Cohen was de zoon van Abraham Mozes Cohen en Dina Trompetter. Abraham was agent in manufacturen geweest. Jacob was, zo is te lezen op een bevolkingskaart in het Amsterdams Archief, ‘handelsagent in textiel’. De appel viel aldus niet ver van de boom. Op de kaart in het Amsterdams Archief staat verder dat Jacob ‘vrijwillig bezoeker Nederlands Israëlitische Sociale Zaken’ was. Mogelijk is dat deze activiteiten er toe hebben geleid dat hij lang als ‘onmisbaar’ werd beschouwd door de Joodse Raad.

Betty Zwartverwer, in 1929 met Jacob getrouwd, was de dochter van Louis (Levie) Zwartverwer en Betty Ert. Zij waren in 1902 getrouwd en hadden voor de geboorte van Betty een zoon gekregen, Frederik Louis (1903). Vlak voor haar zevende verjaardag overleed Betty’s moeder, in 1914. Haar vader hertrouwde een half jaar later met Henriette van Itallie. Zij en Louis werden in 1943 in Sobibor vermoord.

Broer Frederik Louis overleefde: hij kwam wel in Westerbork terecht maar deed een beroep op het hebben van de Amerikaanse nationaliteit: hij woonde van 1925 tot eind 1927 in Milwaukee, was daar getrouwd met een Amerikaanse en kreeg in 1926 een zoon, Frederick Louis. Zijn vrouw, met wie hij in 1927 naar Nederland terugkeerde, verdween in 1939. Daarna kreeg hij een relatie met de van oorsprong Duitse Frederike Lubomiersky. Ook op het hebben van een relatie met een niet-Joodse vrouw deed hij in Westerbork een beroep en in augustus 1943 keerde hij weer terug in Amsterdam.

Het lijkt er zelfs op dat het Jacob uiteindelijk teveel werd: op 29 december 1962 stierf hij onverwacht, zoals Lipschits schreef ‘in het harnas’ en ‘waarschijnlijk door het vele, zo niet overmatige werk vroegtijdig opgebrand’.

De ouders van Jacob waren in de dertiger jaren al overleden. Zijn jongere broer Sidney, diens vrouw Rachel Kinsbergen en hun in 1937 geboren dochtertje Dina, werden in 1943 in Sobibor vermoord.

Betty en Jacob mochten het kamp op 6 juni 1945 verlaten; Jacob was er nog een tijd chef van de levensmiddelenvoorziening geweest. Nadat Betty en Jacob terugkeerden in Amsterdam bleek het huis waar ze voor de oorlog woonden, Oosterpark 56, het huis waar de ouders van Jacob tot hun overlijden woonden, deels ingenomen door een ander, deels bewoond door de broer en schoonzus van Betty. Ze betrokken een paar huizen verderop Oosterpark 38 en konden in 1948 weer in hun oude huis gaan wonen.

Jacobus werd directeur van een N.V., we weten niet welk bedrijf dit was. Al snel nam hij zijn sociale activiteiten weer op. In het door Isaac Lipschits ter gelegenheid van vijftig jaar Joods Maatschappelijk Werk geschreven boek ‘Tsedeka’ komt zijn naam meerdere malen voor. Tsedeka betekent rechtvaardigheid, het verrichten van goede werken, een gebod uit de Tenach.

Jacob werd bestuurslid bij de Nederlands-Israëlitische Wijkvereniging en was aanwezig bij vergaderingen waar besproken wordt in hoeverre het Joods Sociaal Werk onderdeel moest zijn van de Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge. Jacob was van mening dat hulp van Joodse zijde mogelijk moest zijn ook voor hen die ‘niet de behoefte hebben om zich bij een kerkgenootschap aan te sluiten’.

In 1952 werd Jacob lid van de bestuursraad van het Joods Maatschappelijk Werk in Nederland en vanaf 1957 was hij als secretaris lid van het dagelijks bestuur. In de jaren die volgden had Jacob vele bestuursfuncties: hij was voorzitter van de commissie individuele hulpverlening, werd vice-voorzitter van het NIISA (Nederlands-Israëlitische Instelling voor Sociale Arbeid), voorzitter van de Nederlands Israëlitische Wijkverpleging, secretaris van Menoecha (bejaardenhulp), vice-voorzitter van de Burgerlijke Instellingen voor Maatschappelijke Zorg van de gemeente Amsterdam en lid van het dagelijks bestuur van de Sociale Raad van Amsterdam. Ook internationaal was Jacob actief: in 1961 werd de Standing Conference for Jewish European Community opgericht. Op de eerste vergadering van deze organisatie was Jacob lid van de Nederlandse delegatie.

Al met al bleek het allemaal wel wat veel: in december 1961 merkte Jacob op dat hij overbelast was. Die overbelasting gold niet alleen hem; veel leden van het bestuur van het Joods Maatschappelijk Werk zaten in tientallen commissies en hadden het zwaar. Het lijkt er zelfs op dat het Jacob uiteindelijk teveel werd: op 29 december 1962 stierf hij onverwacht, zoals Lipschits schreef ‘in het harnas’ en ‘waarschijnlijk door het vele, zo niet overmatige werk vroegtijdig opgebrand’.

Jacob Cohen werd 58 jaar. Hij was een half jaar voor zijn overlijden nog onderscheiden met een lintje: Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Jacob en Betty waren op dat moment net verhuisd naar de Beethovenstraat. Daar bleef Betty na de dood van haar Jacob wonen.

Betty Cohen-Zwartverwer overleed in 2001, 93 jaar oud. Ze werd naast Jacob begraven op de Joodse begraafplaats in Muiderberg.