Jacob da Silva Curiël

Netty Zutt heeft bijzondere herinneringen aan haar grootvader, Jacob da Silva Curiël, die de bevrijding in kamp Westerbork wist mee te maken. Een portret geschreven door oud-geschiedenisdocent Hans Piek.

Jacob da Silva Curiël, tweede van rechts.

Jacob da Silva Curiël

‘Mijn opa was klein van stuk maar groot van geest.’ Dat zegt Netty Zutt, geboren in de oorlog, in een gesprek over Jacob da Silva Curiël, de vader van haar moeder, haar opa. Ze vervolgt: ‘Ondanks zijn ervaringen in de oorlog, zijn verblijf in kamp Westerbork en de moord op onder andere zijn moeder heeft hij zijn bewondering voor Duitse componisten en schrijvers nooit verloren. Zijn gedachte hierachter was, dat, als hij nu bewust uitingen van de Duitse cultuur zou gaan vermijden, hij zich het genoegen dat hij daaraan altijd beleefde, door de nazi’s, achteraf, had laten ontnemen. En dat gunde hij ze niet!’

Jacob da Silva Curiël werd in 1887 geboren in Amsterdam. Hij was het tweede kind van Samuel da Silva Curiël en Marianna da Silva Curiël-Carels. In het bevolkingsregister staan Samuel en Marianne als Portugees-Israëlitisch ingeschreven. Hun kinderen ook, maar in latere registers is die notering doorgestreept.

Vader Samuel verkocht groenten op straat en het gezin woonde in de Nieuwe Kerkstraat, ook wel Jodenkerkstraat of Portugese Kerkstraat genoemd. In het deel tussen de Roeterstraat en de Weesperstraat woonden veel Sefardische- of Portugese Joden. Een arme maar vaak ook vrolijke buurt. Later verhuisde het gezin naar de Uilenburgstraat en vervolgens naar de Bataviastraat. Dat laatste zou kunnen betekenen dat het financieel wat beter ging.

Het gezin waarin Jacob opgroeide bestond uiteindelijk uit vader, moeder, vier dochters en zes zonen. De oudste, Hanna, geboren in 1885, en de jongste, Alex, uit 1906, scheelden meer dan twintig jaar. Al op zijn twaalfde was Jacob aan het werk, meteen na het verlaten van de lagere school. Hij werd schilder. In het militieregister, waarin staat dat hij in 1906 werd ingeloot, wordt vermeld dat hij rijtuigschilder was. Overigens kreeg hij uiteindelijk vrijstelling van dienst.

Fijtje Hartman.

In 1912 vertrok Jacob naar Duitsland. Of hij daar ook schilder was weten we niet, wel dat hij in elk geval in 1918 weer in Amsterdam terug was. In dat jaar trouwde hij namelijk met Fijtje Hartman, geboren in 1886. Fijtje kwam uit een hervormd gezin. Ze had al een zoon, Albertus, die ook op de huwelijksakte genoemd wordt. In die akte staat dat Jacob Albertus als zoon aannam. In 1921 kregen ze samen hun eerste kind, Marianna Frederika, en een kleine twee jaar later, in 1923, werd Trinette geboren. Marianna werd Riek genoemd, Trinette Truus.

Het gezin woonde aanvankelijk in de Dapperbuurt, daarna in de Indische buurt en vanaf 1936 aan de Jozef Israëlskade. Daar, aan de Israëlskade, die van de Duitse bezetter niet meer zo mocht heten en Tooropkade werd gedoopt (in 1945 weer ongedaan gemaakt) overleed Fijtje in 1941, 54 jaar oud. Albertus, de aangenomen zoon van Jacob, had toen al het huis verlaten.

Jacob werkte in die tijd bij het schildersbedrijf Wits en werd ingezet op de scheepswerf van de NDSM in Amsterdam-Noord. Daar moest hij met het openbaar vervoer heen, maar vanaf juni 1942 was het Joden verboden om per tram of bus te reizen; één van de vele anti-Joodse maatregelen die de bezetter vanaf juli 1940 invoerde. Jacob kreeg een uitzondering; de vergunning is bewaard gebleven. Er staat precies op met welke lijnen en met welk veer hij mocht reizen, op welke tijdstippen en dat de vergunning van zaterdagmiddag drie uur tot maandagmorgen zes uur niet geldig was.

Jacob heeft na de oorlog nog een aantal jaren als schilder gewerkt, mogelijk bij het zelfde bedrijf als waar hij tot in de oorlog werkte.’Hij werkte zelfs in Parijs’, zegt Netty, terwijl ze een klein boekje tevoorschijn haalt. ‘Dit kreeg ik van hem toen hij terug kwam.’ Het is één van de weinige tastbare herinneringen die ze aan haar opa heeft.

De “Tooropkade” was ook het adres waar Jacob werd opgepakt. Netty: ‘Mijn moeder vertelde mij dat in augustus 1944 het huis door Nederlandse politieagenten omsingeld werd en mijn opa, haar vader, uit huis werd gehaald.’ Dat kan kloppen, want op 21 augustus werd Jacob in Westerbork “afgeleverd”. Hij had toen een aantal dagen in het huis van bewaring aan de Weteringschans vastgezeten.
Jacob kwam in Westerbork in een strafbarak terecht, mogelijk omdat hij een oproep zich te melden had genegeerd.

Meteen na aankomst in Westerbork deed Jacob een verzoek om niet op transport te hoeven gaan met als reden dat hij gemengd gehuwd was geweest met Fijtje en dat er uit dat huwelijk kinderen waren geboren. Hij mag dan al op 5 september uit de strafbarak en op 13 september 1944 vertrok het laatste transport vanuit Westerbork: Jacob was dus veilig, al wist hij dat toen natuurlijk nog niet. In Westerbork werkte hij in de wasserij.

Op 12 april 1945 werd het kamp bevrijd en Jacob laat dan door een briefje aan zijn familie in Amsterdam weten dat het hem goed gaat.
Hij schreef: ‘Gefeliciteerd met de bevrijding. Hoop jullie spoedig weer te zien. Gaat mij goed, ben vrijwillig bewaker N.S.B.ers (Camp Police).’

Grietje Hartman.

Op 6 juni wordt Jacob ontslagen uit Westerbork en keert terug naar Amsterdam. Daar trouwt hij op 6 december met Grietje Hartman, een jongere zus van zijn overleden vrouw Fijtje. Een dag eerder, op 5 december, trouwde de jongste dochter van Jacob, Truus, die in 1944 een dochtertje gekregen had, met Theo Zutt. Deze dochter heette eveneens Trinette, maar werd Netty genoemd.

Jacob heeft na de oorlog nog een aantal jaren als schilder gewerkt, mogelijk bij het zelfde bedrijf als waar hij tot in de oorlog werkte.
‘Hij werkte zelfs in Parijs’, zegt Netty, terwijl ze een klein boekje tevoorschijn haalt. ‘Dit kreeg ik van hem toen hij terug kwam.’ Het is één van de weinige tastbare herinneringen die ze aan haar opa heeft. In het boekje staan foto’s van bekende Parijse gebouwen. Zijn bezoek aan Parijs stimuleerde Jacob, die toen de zestig voorbij was, zelfs om Frans te gaan leren.

Al heeft Netty dus weinig tastbaars dat aan Jacob herinnert, herinneringen zijn er des te meer. Ze liep geregeld met haar grootvader door Amsterdam en tijdens die wandelingen wees hij haar gebouwen en plekken aan en vertelde daarover. ‘Opa schilderde in zijn vrije tijd schilderijen, stillevens, hield van muziek, ging naar de opera, naar de Matthäus-Passion’, vertelt ze, ‘en hij was politiek bewust, was sociaal-democraat en verwees zo nu en dan naar Max Havelaar van Multatuli.’ Netty vertelt verder: ‘Hij was degene die mij het meest stimuleerde om te leren, om er uit te halen wat er in zat.’ Als ze gevraagd wordt haar grootvader met een paar woorden te kenschetsen zegt Netty: ‘Lief, zorgzaam, sociaal, wijs, gastvrij.’

Netty en haar ouders in 1953 voor het huis waar haar opa woonde.

Na terugkeer uit Westerbork bleek dat de moeder van Jacob, Marianne, in 1943 in Sobibor was vermoord. Vader Samuel was al in 1911 overleden. Alle broers en zussen van Jacob overleefden de oorlog. Ze waren, op broer Levie na, getrouwd met niet-Joodse partners en dat heeft hen vermoedelijk gered. Levie is wel opgepakt en kwam via Westerbork en Theresienstadt in Auschwitz terecht. Dat overleefde hij. Zijn vrouw, Judith da Silva Curiël–van Amerongen werd in 1944 in Auschwitz vermoord; één van haar twee kinderen uit een vorig huwelijk stierf in 1941 in Buchenwald. De zoon van Jacobs zus Heintje, Samuel, dook onder en verbleef in september 1944 in Renkum. Toen de geallieerden daar landden (Operatie Market Garden) ging hij hen assisteren met vervoer van water. Bij één van die acties is hij gesneuveld.

In 1958 overleed Grietje, de tweede vrouw van Jacob, op 57-jarige leeftijd. Drie jaar later, op 22 maart 1961, overleed Jacob.
Dochter Truus kreeg in 1964 een tweede kind: Theo. Kleindochter Netty kreeg een dochter; kleinzoon Theo een dochter en een zoon. Bij Netty zijn, pratend over haar grootvader, heel veel herinneringen weer levend geworden: ‘Hij was een bijzonder mens!’