Jacob & Käthe Wolff

Door zijn goede positie als zoon van een Arnhemse huisarts bleef Jacob Wolff met zijn vrouw Käthe tot de bevrijding in kamp Westerbork achter. Oud-geschiedenisdocent Hans Piek legt uit.

Aankomst in kamp Westerbork.

Jacob & Käthe Wolff

Jacob Wolff werd op 28 juni 1911 geboren in Arnhem als zoon van huisarts Mozes Jacob Wolff. Jacob was het tweede kind van dr. Wolff en zijn vrouw. Vier jaar eerder was zus Johanna geboren. Mozes Wolff was geen praktiserende Jood maar uit consideratie voor zijn orthodoxe ouders vierde hij met zijn kinderen wel de religieuze feestdagen

De familie Wolff behoorde tot de Joodse elite van Arnhem. Mozes Jacob Wolff was tot zijn overlijden in 1957 bijvoorbeeld enige tijd voorzitter van de grootste synagoge in de stad, zoals zijn vader voor hem in het bestuur van de Joodse gemeente had plaatsgenomen. Zoon Jacob ging na het afronden van de HBS in het begin van de jaren dertig naar Rotterdam om daar aan de universiteit een studie economie te volgen. In juli 1940, vlak na de Duitse inval in Nederland, studeerde hij af. In Rotterdam had hij ook de uit Wenen afkomstige Käthe Fisscher ontmoet met wie hij begin 1942 trouwde.

Mijn broer wist in kamp Westerbork tot hoofd van de schoonmaakdienst te geraken en werd daardoor in tegenstelling tot ons in september 1944 niet naar Theresienstadt weggevoerd. Door zijn functie bij de schoonmaakploeg kon hij verschillende bekenden aan een goed baantje en aan iets meer voedsel helpen.

Vanwege hun gegoede positie werden Jacob en zijn familieleden in 1943 naar het Joodse elitekamp in Barneveld overgebracht. De Joden in dit elitekamp hadden hun uitzonderlijke positie te danken aan mr. K. J. Frederiks. Vóór de oorlog was Frederiks Secretaris-Generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en tijdens de oorlog behield hij deze positie. Als Secretaris-Generaal kwam Frederiks in contact met vele hoge nazi’s. Aan één van hen, Hans Albinn Rauter, de Höhere SS und Polizeiführer in Nederland, deed hij het verzoek om een bepaalde groep Joden uit te zonderen van transport en wel op grond van hun bijzondere verdiensten. De fanatieke Jodenhater Rauter sloeg het voorstel direct af. Hierna ging Frederiks naar Fritz Schmidt, de vertegenwoordiger van de NSDAP in Nederland. Schmidt ging wel akkoord met het verzoek van Frederiks. Frederiks wist daarbij handig gebruik te maken van de animositeit die tussen Schmidt en Rauter bestond en wist beiden handig tegen elkaar uit te spelen.

Jacob Wolff verbleef in Barneveld met 450 lotgenoten op het landgoed De Schaffelaar. 200 andere Joodse Barnevelders zaten geïnterneerd op het nabijgelegen Huis De Biezen. Het leven op De Schaffelaar was voor de familie Wolff relatief goed. Er was vrijwel geen bewaking, de geïnterneerden konden vrij het dorp in lopen, en op het landgoed was veel afleiding te vinden. Er konden boeken uit de uitgebreide bibliotheek worden geleend en regelmatig werden er cursussen en bonte avonden georganiseerd.

In september 1943 eindigde het verblijf in Barneveld voor Jacob, zijn vrouw, zus en ouders. De Schaffelaar en Huis de Biezen werden ontruimd en alle bewoners werden per trein overgebracht naar kamp Westerbork. Een speciale barak was voor de groep gereedmaakt. Net als alle kampbewoners werden de Barnevelders in Westerbork aan het werk gezet. ‘Mijn broer wist in kamp Westerbork tot hoofd van de schoonmaakdienst te geraken en werd daardoor in tegenstelling tot ons in september 1944 niet naar Theresienstadt weggevoerd. Door zijn functie bij de schoonmaakploeg kon hij verschillende bekenden aan een goed baantje en aan iets meer voedsel helpen’, zo vertelde Johanna Wolff midden jaren negentig in een interview voor het Shoahproject van Steven Spielberg. ‘Hij heeft bijvoorbeeld Gusta van Royen, de beroemde klavecinist, bij hem in de schoonmaakploeg gehad.’

Op 18 juni 1945, ruim twee maanden na de bevrijding, mochten Jacob Leo Wolff en Käthe Wolff-Fischer kamp Westerbork verlaten. Ze keerden terug naar Arnhem waar zoontje Frits werd geboren. Later verhuisde het gezin naar Den Haag waar Jacob tot zijn pensionering voor het Ministerie van Economische Zaken zou werken.