Jacques & Sara Kattenburg

Jacques Kattenburg (1877) was oprichter en directeur van de bekende kledingfabriek Hollandia-Kattenburg toen in mei 1940 de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Samen met zijn vrouw Sara (1877) wist hij door zijn talent en goede connecties te overleven. Els van Rijn-Zandstra legt uit.  

Transport van Barneveld naar kamp Westerbork, september 1943. Collectie NIOD.

Jacques & Sara Kattenburg

Als jongeman studeert Jacques in Amsterdam, Parijs, Brussel en Londen; hij leert het vak van coupeur. Later – dan is hij al tien jaar werkzaam – gaat hij naar Manchester om het procédé van rubbervulcanisatie, het op stof hechten van een laagje rubber, te leren. Jacques is kind uit een textielfamilie – vader coupeur, ooms in de textielhandel – en hij is het die groot zal worden met de door hem in 1909 opgerichte Handelsvereeniging Hollandia. Hollandia-Kattenburg zoals het bedrijf genoemd wordt, fabriceert waterdichte jassen. De merken Falcon en Big Ben zijn bekend om hun kwaliteit. Falcon, genoemd naar de Valkenweg in Amsterdam-Noord, waar Jacques in 1915 een grote nieuwe fabriek laat bouwen. Hij heeft dan een bedrijf met meer dan 1.000 werknemers. Hij breidt later uit met een fabriek in Tilburg, met rubberfabrieken in Weesp en bij Doorwerth en met een dochteronderneming in Manchester. Het bedrijf overleeft door Jacques’ energieke volharding de crisisjaren dertig.

Hollandia-Kattenburg krijgt in 1936 bezoek van koningin Wilhelmina en prinses Juliana; in 1938 wordt Jacques Kattenburg benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Hij is dan 61 jaar oud; het is aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

Jacques trouwt op 3 september 1903 met Sara Schrijver. Ze krijgen drie kinderen: Alfred (1907-1970), Cornelia (1910-1995) en Henri (1915-1984). Ouders en kinderen zullen de Tweede Wereldoorlog overleven. Zoals dat toen gewoon was, is Sara moeder en huisvrouw. Jacques is ondernemer en houdt zich in zijn vrije tijd graag bezig met schilderen en goochelen. Het gezin Kattenburg-Schrijver is een Joods gezin dat niet actief het Joodse geloof belijdt. Ze wonen in Amsterdam, achtereenvolgens op de De Lairessestraat, de Schubertstraat en tot 3 maart 1941 op Stadionweg 13 in de helft van een dubbele villa.

Na de bezetting van Nederland komt de leiding van Hollandia-Kattenburg in handen van een door de Duitsers aangestelde Verwalter en treden Jacques Kattenburg en zijn mededirecteuren gedwongen af. Omdat het bedrijf onder de nieuwe leiding uniformen voor de Wehrmacht is gaan fabriceren, lijkt het Joodse personeel gespaard te blijven voor deportatie.

Hollandia-Kattenburg krijgt in 1936 bezoek van koningin Wilhelmina en prinses Juliana; in 1938 wordt Jacques Kattenburg benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Hij is dan 61 jaar oud; het is aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

11 november 1942 echter is voor het bedrijf een dramatische dag: alle Joodse personeelsleden worden opgepakt en met hun families, bij elkaar 826 mensen, via Westerbork naar het Oosten gedeporteerd. Slechts acht van hen overleven het drama. Elk jaar op 11 november worden bij een gedenkteken op het IJplein in Amsterdam-Noord de slachtoffers herdacht.

Jacques Kattenburg en zijn vrouw Sara vinden bescherming bij het Plan-Frederiks, een door de secretaris-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken, Frederiks, bedacht plan om voor Joden met een grote maatschappelijke staat van dienst, vrijstelling van deportatie te krijgen. Ook de secretaris-generaal van het ministerie van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming, van Dam, stelt een lijst op met Joodse elite. De meesten van hen worden geïnterneerd op landgoed De Schaffelaar in Barneveld. Jacques en Sara Kattenburg krijgen onderdak in Huize de Biezen, gelegen aan de Lunterscheweg in Barneveld. Er moet door de Joodse ondernemers, wetenschappers en kunstenaars fors voor worden betaald.

Door nazi-Duitsland voortdurende jacht op Joden, worden op 29 september 1943 alle leden van deze Barneveldgroep, dus ook Jacques en Sara, beiden 66 jaar, gearresteerd en naar Westerbork gedeporteerd.
Sara wordt meteen in de ziekenbarak opgenomen en zal daar vaker verblijven. Zij “wonen” in barak 85, de barak voor de ‘Barnevelders’. Jacques is en blijft ondernemer en zet in Westerbork een kledingbedrijf op. Hij krijgt een zogenoemde Sonder-ausweis en ‘… ist berechtigd das Lager Westerbork zu verlassen um in Lagerkommandantur und arische Wohnungen Arbeiten zu verrichten.’ In maart 1944 krijgt hij verlof om het kamp te verlaten voor ‘ein Dienstreise’. Zijn werk in het kamp zal hen behoed hebben voor deportatie naar Theresiënstadt, het kamp waar de leden van de Barneveldgroep in september 1944 naartoe worden gedeporteerd.

12 april 1945 worden de 876 gevangenen van kamp Westerbork bevrijd door de Canadezen. Op 30 april verlaten Sara en Jacques Kattenburg-Schrijver Westerbork. Niet lang daarna sterft Sara, op 17 juli 1945. Jacques neemt de directie van Hollandia-Kattenburg nog twee jaar op zich. Op zijn 70e verjaardag geeft hij de leiding in handen van zijn zoon Alfred. Vier maanden later, op 17 november 1947 overlijdt hij plotseling. Het merk Falcon bestaat nog altijd; er zijn geen nazaten van Jacques en Sara Kattenburg meer bij het bedrijf betrokken.