Jacques Tailleur

Het overgrote deel van de mensen die via Westerbork gedeporteerd werden, verbleven slechts enkele dagen, of hooguit een paar weken in kamp Westerbork. Er zijn echter uitzonderingen, die veel langer in het kamp verbleven. Jacques Tailleur (1916) is zo’n uitzondering.

Jacques Tailleur in kamp Westerbork.

Jacques Tailleur

Het overgrote deel van de mensen die via Westerbork gedeporteerd werden, verbleven slechts enkele dagen, of hooguit een paar weken in kamp Westerbork. Er zijn echter uitzonderingen, die veel langer in het kamp verbleven. Jacques Tailleur is zo’n uitzondering, hij wist tot aan de bevrijding in het kamp te blijven.
Relaties daar ging het om in Westerbork. Dat ik heb kunnen overleven is geen kwestie van geluk of toeval – daar geloof ik niet in – maar van vitamine R, zoals wij dat in het kamp noemden. Vitamine R betekende relaties, vrienden.’

In juni 1940 haalde Jacques zijn Mulo diploma. Na een eerste baantje, vond hij een half jaar later werk bij een bonthandel in Amsterdam. Daar kreeg hij de opdracht om elke 14 dagen een pakketje te sturen naar de zwager van zijn baas, een Duits-Joodse man die als vluchteling in kamp Westerbork zat. Toen Jacques in de zomer van 1942 zelf in Westerbork terecht kwam, ontmoette hij deze man, die hem uiterst dankbaar was.
‘Hij zorgde ervoor dat ik een baantje kreeg als ordonnans bij één van de barakkenleiders. Ik bracht papieren heen en weer, zeg maar een boodschappenjongen. Dat baantje betekende dat je in zekere zin veilig zat en dat je niet hard hoefde te werken.’

In oktober 1942 werden bij een grote razzia in Amsterdam Jacques ouders en zusjes gepakt en naar Westerbork gedeporteerd. Zijn vader was suikerpatiënt. Door de contacten van Jacques kon hij een baantje voor zijn vader in de keuken regelen, zodat hij op tijd voedsel kreeg. In het ziekenhuis reserveerde men insuline voor hem en men controleerde zijn lichamelijke toestand. ‘Er was geen beter ziekenhuis in Nederland dan dat in Westerbork, geen ziekenhuis waar zo veel specialisten werkten.’ Na een jaar verblijf in Westerbork werden Jacques’ ouders en zusje toch doorgestuurd. Ze hebben de oorlog niet overleefd.

Een tekening van Jacques Tailleur door Leo Kok.

In de loop van de oorlog wist Jacques in Westerbork verschillende andere baantjes te krijgen die ervoor zorgden dat hij in het kamp kon blijven. Zo was hij een tijdlang assistent-kippenfokker.
‘Ik had totaal geen verstand van pluimvee, maar zag kans met een semi-deskundig verhaal assistent te worden van de man die in opdracht van kampcommandant Gemmeker kippen fokte. Omdat wij voor eieren en vlees zorgden waren wij nodig en dus konden we overleven.’

Ik had totaal geen verstand van pluimvee, maar zag kans met een semi-deskundig verhaal assistent te worden van de man die in opdracht van kampcommandant Gemmeker kippen fokte. Omdat wij voor eieren en vlees zorgden waren wij nodig en dus konden we overleven.

Als Jacques naar de centrale keuken ging om afval voor de kippen op te halen, nam hij vaak een emmer mee. Die liet hij per ongeluk in de suiker vallen, zodat hij weer wat extra’s had. Ook onderhield hij een goed contact met de chef-kok, die hem af en toe pakjes boter toeschoof. Boven alles was Jacques echter bezig om zijn goede positie in het kamp te behouden, zodat hij niet op transport naar het Oosten gezet zou worden.

‘Je wilde zo lang mogelijk in Nederland blijven, want je voelde wel dat het daarginder niet goed was in het onbestemde. Overigens wisten wij niet waar de treinen naar toe gingen. Niemand wist iets over het bestaan van vernietigingskampen. Dat zijn allemaal ouwehoerverhalen van na de oorlog. Dat het niet goed was dat voelde je op je klompen aan, maar wij hadden veel meer het idee dat de mensen naar werkkampen in Duitsland of Polen gingen. We zijn pas achterdochtig geworden toen ook kleine, moederloze kinderen en stokoude mensen op transport moesten.’

Jacques Tailleur verliet kort na de bevrijding kamp Westerbork. Hij trouwde in 1946 met Zilpa Kruijer, een meisje uit Arnhem dat hij in 1945 in kamp Westerbork had leren kennen. In 1959 namen Zilpa en Jacques de textielwinkel van haar ouders over.