Johanna & Rebecca Knoop

‘Wat doen ze toch met die mensen’, tekent een Amsterdamse typiste op 27 juni 1943 in haar dagboek aan. Zeven dagen eerder is zij getuige geweest van één van de grootste razzia’s van de Tweede Wereldoorlog. Ruim 5.000 Joden worden op 20 juni 1943 in Amsterdam opgepakt en naar kamp Westerbork gevoerd.
Zo ook de zussen Johanna (1916) en Rebecca Knoop (1911).

Opgepakte mannen, vrouwen en kinderen aan de Polderweg in Amsterdam, 20 juni 1943. Collectie Joods Historisch Museum.

Johanna & Rebecca Knoop

Het is in de ochtend van 20 juni 1943, nog in de schemering, als de zussen Johanna en Rebecca Knoop door een aanzwellend lawaai worden gewekt. Met hun familie wonen Johanna en Rebecca in de Magersfonteinstraat in Amsterdam-Oost. Johanna is de jongste van de zes nog levende kinderen, Rebecca de één na jongste. Beide zussen zijn als secretaresse werkzaam op een kantoor van de Joodse Raad.

Als Johanna en Rebecca even later door het raam naar buiten kijken zien ze luidsprekerauto’s rondrijden. Niet-Joden wordt opgeroepen binnenshuis te blijven, Joden wordt medegedeeld waar zich verzamelpunten bevinden. De zussen horen dat ze naar de Polderweg moeten gaan, op een kleine kilometer afstand van hun woning.

Johanna en Rebecca besluiten eerst in huis te blijven – het is immers zondag – om verdere zaken af te wachten. Als blijkt dat de razzia nog uren voort gaat duren gaan ze toch maar naar de Polderweg. Als ze er aankomen heeft er zich inmiddels een hele menigte mensen verzameld op een met een houten hek omgeven terrein grenzend aan een marechausseekazerne gelegen in een drietal voormalige gebouwen van de Oostergasfabriek.

De zussen Knoop zien één van de voorzitters van de Joodse Raad, professor Cohen, hevig ruzie maken met Ferdinand Aus der Fünten, de verantwoordelijke chef van de SD. Cohen weet er een paar Joodse Raad medewerkers mee vrijgesteld te krijgen, maar niet veel

Het gaat er nog redelijk gemoedelijk aan toe op het terrein beschrijven ooggetuigen later, alhoewel er hier en daar opstootjes plaatsvinden. De zussen Knoop zien één van de voorzitters van de Joodse Raad, professor Cohen, hevig ruzie maken met Ferdinand Aus der Fünten, de verantwoordelijke chef van de SD. Cohen weet er een paar Joodse Raad medewerkers mee vrijgesteld te krijgen, maar niet veel.

Dan verschijnen leden van de Joodse Ordedienst uit kamp Westerbork. De menigte wordt lopend naar het station Muiderpoort gevoerd waar personen- en veewagons klaar staan voor deporatie naar Westerbork. ‘De trein vertrok om drie uur en reed ontzettend langzaam, omdat de locomotief natuurlijk deze lange trein slecht kon trekken’, zo schreef overlevende Mirjam Bolle-Levie destijds in haar dagboek. ‘In Amsterdam stonden de mensen op de daken van de huizen, met verrekijkers, om ons te zien weggaan. Een prachtig kijkspul.’

Met ruim 5.000 andere opgepakte Joden komen Johanna en Rebecca Knoop tegen negen uur in de avond in kamp Westerbork aan. Ze worden geregistreerd en naar de appelplaats gebracht. ‘Op een open terrein – het was intussen nacht geworden – moesten we weer wachten, uren- en urenlang. Op de vochtige grond – het was aardig koud ’s nachts – zittend, liggend, half slapend, in het donker. Alweer, voor mij niet erg, maar voor de oude en zieke mensen ontzettend. Er werden ook vele op brandcards weggedragen’, aldus Mirjam Bolle-Levie. Even later worden de mensen overgebracht naar hun barakken. Met 500 vrouwen en kleine kinderen slapen de zussen Knoop op een kleine 30 bij 10 meter. Op stapelbedden driehoog.

Johanna en Rebecca Knoop weten in Westerbork een Sperre te verkrijgen. Eerst vanwege het werk van hun broer Jonas, een diamantair die zich nog in Amsterdam bevindt. Later door hun eigen secretaressewerk in het kamp. Het is uiteindelijk ook de reden dat beide dames tot de bevrijding in kamp Westerbork weten te blijven.

Begin juni 1945 verlaten Johanna en Rebecca Knoop kamp Westerbork voor Amsterdam.
Een groot deel van hun familie blijkt de oorlog niet overleefd te hebben.