Jonas & Abraham Hakker

Jonas en Abraham Hakker behoorden tot de kleine groep van gevangenen die na de bevrijding door de Canadezen in hechtenis werden genomen vanwege mogelijke collaboratie met de Duitsers. Vader en zoon Hakker werden uiteindelijk van elke samenwerking met de bezetter vrijgesproken.

Jacob Schol en zijn vrouw in kamp Westerbork.

Jonas & Abraham Hakker

In het voorjaar van 1943 vertrok de Joodse Sally de Jong met zijn echtgenoot via een illegale weg naar Zwitserland. Hun twee kleine zoontjes hadden zij in de onderduik in Nederland achtergelaten om hen de gevaarlijke reis naar het vrije Zwitserland te besparen. Aangesteld in het ziekenhuis was de jonge arts De Jong in 1942 vrijwillig naar kamp Westerbork gegaan om de gevangenen te proberen te helpen. Onderweg naar Zwitserland beschreef hij zijn belevenissen in Westerbork in kleine letters op een aantal vloeipapiertjes. Eenmaal klaar verborg hij dit “manuscript” in een uitgeholde scheerkwast.

Bij de Zwitserse grens werden Sally en zijn vrouw in eerste instantie doorgelaten maar vervolgens alsnog tegengehouden. Er was net een nieuwe wet van kracht: alleen families met kinderen werd nog doorgang verleend. Sally en zijn echtgenote toonden foto’s van hun zoontjes die zij hadden meegenomen, maar de Zwitserse grenspolitie was onverbiddelijk. Het echtpaar De Jong werd teruggestuurd. Beiden zouden later naar Auschwitz worden weggevoerd en de oorlog niet overleven.

De scheerkwast met het manuscript bereikte het vrije Westen via de ‘Zwitserse weg’ wel. Het kwam ten slotte terecht in Londen waar het onder andere werd gelezen door de tweelingbroer van Sally, de latere directeur van het RIOD, Loe de Jong.

Gedetailleerde berichten als het manuscript van Sally de Jong stelden de geallieerde strijdkrachten in staat om al in 1944 een duidelijk beeld van kamp Westerbork te genereren. Het was de Canadese inlichtingsdienst die in april 1945 Westerbork binnentrok daardoor bekend hoe de verhoudingen in het kamp lagen. Kort na aankomst arresteerden de Canadezen een aantal gevangenen met het idee dat deze mogelijk een kwalijke rol tijdens de oorlog hadden gespeeld.

Tot de gearresteerde gevangenen behoorden Jonas Hakker (1899) en zijn zoon Abraham Hakker (1920). Jonas Hakker was een handelaar in artikelen die met elektriciteit te maken hadden, die in 1919 was getrouwd met de niet-Joodse Maria van Renkum (1892). Eind 1942 was Hakker vanuit Rotterdam naar kamp Westerbork overgebracht, waar hij in contact kwam met de voormalige Nederlandse kampcommandant Jacob Schol. Schol, die inmiddels een meer ceremoniële functie had, vroeg Hakker uit naam van de Duitse commandant Gemmeker of hij materialen aan het kamp kon leveren. Hakker stemde in met het verzoek en na vrijlating op basis van zijn “gemengde huwelijk”, ging hij door met deze leveringen. Hakker bracht zijn materialen vrijwel altijd zelf naar kamp Westerbork toe.

Op 1 februari 1945 kwam Jonas Hakker bij een levering in kamp Westerbork in gesprek met Gemmeker. Gemmeker, geïrriteerd door een vraag over een onbetaalde rekening, vroeg Hakker of hij zich inmiddels had laten steriliseren – een voorwaarde voor vrijlating voor gemengd-gehuwde gevangenen. Nadat Hakker de commandant vervolgens een onbevredigend antwoord gaf, werden hij en zijn zoon voor zes weken opgesloten in de strafbarak. Naderhand bleken de geallieerden de rivier de IJssel overgestoken te zijn, waardoor een terugkeer naar Rotterdam onmogelijk was. In het ziekenhuis van kamp Westerbork vierde Jonas Hakker op 12 april 1945 de bevrijding en, een dag later, zijn zesenveertigste verjaardag – zoon Abraham was op 27 maart 25 jaar geworden.

Door hun leveringen aan het kamp en hun ‘vriendelijke gedrag’ ten opzichte van de bewakers, werden Jonas Hakker en zijn zoon door een gedeelte van de kampbevolking als onbetrouwbaar beschouwd. ‘Es wurde immer fur Ihnen gewarnt’, zo schreef Hans Bial in zijn dagboek in februari 1945. Deze verdenkingen waren de belangrijkste reden voor de Canadese inlichtingendienst om Jonas Hakker in voorlopige hechtenis te nemen. Op 11 juni 1945 werd Hakker door leden van de inlichtingendienst ondervraagd. De conclusie van dit verhoor spraken evenals de uitkomsten van het verdere onderzoek, overduidelijk in het voordeel van de Rotterdamse handelaar.

‘Each time when Hakker came in the camp, always accompanied by his son, he took parcels with food and letters along with him for the Jews in the camp, and did for them what he was able to do. This was strictly forbidden and very dangerous for him. Many of them – de overige kampgevangenen (red.) – were jealous of him, that he was not arrested, althought he was a Jew and could go where he liked. Hakker was not very friendly with the SD and NSB officers and carried only out the orders, he received from them. He had to be very careful, because he was a Jew, and to do everything, they ordered him.

Conclusion:
Hakker has no C.I. interest, and his release is recommended.’