Julius Japhet

Barak 27 behoorde tot de meest bijzondere barakken van kamp Westerbork.
Gelegen langs de hoofdweg van het kamp was hier vanaf 1939 het badhuis ondergebracht, waarvan de leiding vanaf 1943 in handen was van een Duitse vluchteling, Julius Japhet (1893).

Gevangenen nemen een bad in kamp Westerbork.

Julius Japhet

Vanuit zijn kantoortje in het midden van de barak keek Japhet uit op de veertig douches die de barak telde. Twintig voor mannen, twintig voor vrouwelijke gevangenen. Allen in het begin zonder deur, maar wel met een houten vlonder, een stoel, een zeepbakje en een spiegel.

Onder Japhet functioneerden twee opzichters. Zij draaiden de kranen om en bepaalden daarmee de hoeveelheid water en de temperatuur van het water dat uit de douches stroomde. Een gemiddelde douchebeurt duurde in de praktijk ongeveer twintig minuten: men kreeg zes minuten om zich uit te kleden, zes á zeven minuten om te douchen en zes minuten om zich weer aan te kleden.

De meeste gevangenen konden zich één keer in de tien dagen douchen, alhoewel niet iedereen dit op prijs stelde. Er waren uitzonderingen: strafgevallen die in de batterijensloperij werkten mochten vanwege dit vuile werk twee keer per dag douchen. Speciaal voor deze gevangenen ging het badhuis om 23.00 uur nog een keer open. Ook de Alte Lagerinsassen konden over het algemeen makkelijker aan een kaartje om te douchen komen.

Japhet was een hele geestige man. Hij heeft later in Den Haag gewoond, hij is door de oorlog gekomen. Op een bepaald moment had hij in het badhuis een touwtje gespannen waar veel van de gevonden voorwerpen aan hingen. Onder andere kunstgebitten, die mensen gewoon vergaten, die hing hij daar op.

In het badhuis werd dag en nacht door Japhet en zijn medewerkers gewerkt. Om een indruk te geven: in het jaar 1943 alleen al namen alle kampgevangenen tezamen ongeveer 360.000 keer een douche.

Enkele overlevenden getuigden na de oorlog over de werking van het badhuis en over de persoon van Japhet in dit proces:

‘Ik was het hulpje van de baas van het badhuis, Japhet, een oud-directeur van een bank uit Frankfurt. Het was een ontzettend handige man. Hij wist bijvoorbeeld van alle sloten in de keuken duplicaten te maken. Vervolgens gaf hij mij de opdracht om op één van de toiletten in het badhuis een plank te leggen. Daar zette Japhet een elektrisch kooktoestel op. Hij haalde stiekem voedsel uit de keuken en gaf mij de opdracht dit op het toestelletje klaar te maken. Dit was bestemd voor de mensen uit de strafbarak die in de batterijensloperij werkten. Die konden dan tegelijk eten en douchen. Meestal stamppot andijvie of stamppot zuurkool.
Soms moest ik van Japhet tegelijkertijd ook nog hun ruggen wassen.’

Hennie Dresden-Konijn.

Het badhuis in kamp Westerbork.

‘De baas van het badhuis was Julius Japhet. Een aardige man. Hij gaf altijd aan als je nog twee minuten had. In het Duits natuurlijk. Japhet werd ook wel de badmeester in het kamp genoemd.’

Fred Schwarz.

‘Japhet was een hele geestige man. Hij heeft later in Den Haag gewoond, hij is door de oorlog gekomen. Op een bepaald moment had hij in het badhuis een touwtje gespannen waar veel van de gevonden voorwerpen aan hingen. Onder andere kunstgebitten, die mensen gewoon vergaten, die hing hij daar op. Maar ook korsetjes bijvoorbeeld. De gekste dingen hingen daar.’

Nogmaals Hennie Dresden-Konijn.