Kitty & Grietje Hoepelman

Kitty (1901) en Grietje Hoepelman (1888), twee zussen uit Amsterdam, wisten lange tijd in de onderduik uit handen van de nazi’s te blijven. In februari 1945 werden ze verraden en in kamp Westerbork gevangen gezet.

Landwachters in Drenthe, 1944.

Kitty & Grietje Hoepelman

Kitty en Grietje, twee zussen uit Amsterdam. Hun ouders, Jacob en Alida, werden in 1943 in Sobibor vermoord. Naast Grietje en Kitty kregen ze nog zeven kinderen. Philip, de op een na jongste, overleefde de oorlog.
Vijf broers, Marcus, Abraham, Samuel, Gerrit en Emanuel, werden vermoord in diverse kampen in Polen tussen 1942 en 1944. Salomon, de oudste, kwam ergens in midden Europa om het leven in 1944.

Kitty en haar zus hadden geluk. Zij konden onderduiken bij verschillende gezinnen in de buurt van het Drentse Hollandscheveld. Met behulp van het studentenverzet kwamen ze in juli 1942 met de trein in Hoogeveen aan. Daar werden ze opgewacht door leden van het plaatselijke verzet en afgeleverd bij meester Wiegman, de hoofdonderwijzer van de hervormde school in Hollandscheveld. Beide zussen kwamen voorlopig bij hem in huis. Ze hadden er een kamertje en, in een kast, een schuilplaats. Het leven voor Kitty en haar zus in de onderduik was zwaar. Veel meer dan aardappelen schillen, lezen en dagdromen zat er niet in. ‘We konden niet naar buiten gaan. Daar heb ik wel om gehuild als het heel mooi weer was en ik meisjes op de Wieken zag lopen. Ik was ook jong!’

De schuilplaats in de kast redde Grietje en haar zus het leven toen op 8 juli 1944 leden van de Landwacht het huis omsingelden en doorzochten. Grietje en Kitty werden niet gevonden. Toen op 22 november 1944 de school gevorderd werd om als kazerne dienst te doen en even later ook de woning van Wiegman opgeëist werd, moesten de zussen hals over kop, op de fiets op klaarlichte dag, naar een ander onderduikadres.
Dat werd het huis van Jan van der Helm en zijn vrouw Jo. Ze woonden in Moscou, een gehucht in de buurt van Hollandscheveld en hadden meer onderduikers in huis. Na korte tijd “verhuisden” de zussen naar de buurman aan de overkant van de weg, naar Pennings. Daar kregen ze een slaapkamer op de bovenverdieping. Een schuilplek was er ook: tussen het plafond van de benedenverdieping en de vloer van een slaapkamerkast was precies genoeg ruimte voor twee personen.

We konden niet naar buiten gaan. Daar heb ik wel om gehuild als het heel mooi weer was en ik meisjes op de Wieken zag lopen. Ik was ook jong!

Tot 7 februari 1945 ging het goed. Op die dag werd Jan van der Helm op het land door landwachters doodgeschoten, zijn huis doorzocht en werden de onderduikers die daar zaten gevonden. Daarna volgde huiszoeking bij de familie Pennings, die ook verdacht werd van het huisvesten van onderduikers. De man en vrouw des huizes werden opgepakt en meegenomen. Grietje en Kitty lagen goed verborgen in de schuilplaats en werden in eerste instantie niet gevonden. De volgende dag werden ze door verraad alsnog opgepakt, mishandeld en daarna doorgestuurd naar Westerbork.

Daar kwamen Grietje en Kitty op 9 februari 1945 aan om ruim twee maanden later bevrijd te worden.
De zussen Hoepelman verlieten het kamp op 18 juni. Eind 1949 getuigden Grietje en Kitty tijdens een zitting van het Bijzonder Gerechtshof in het proces gewijd aan de gebeurtenissen van 7 en 8 februari 1945.