Kurt Noah

Charlotte Noah en Irene Mohs-Noah beschrijven het leven van hun vader Kurt Noah (1907) die op 14 augustus 1944 vanuit de onderduik in kamp Westerbork terechtkwam.

Kurt Noah op 28 januari 1945 in kamp Westerbork.

Kurt Noah

Kurt Noah is geboren in Berlijn en is de zoon van Joodse ouders,
Siegbert Noah en Hermine Noah-Goldschmidt. Uit hun huwelijk, dat werd gesloten op 1 maart 1901, werd ook nog een dochter geboren genaamd Charlotte (1902), later Joods gehuwd met Arthur Krakauer.
Kurt Noah trouwde in 1934 met de protestantse, eveneens in Berlijn geboren, Herta Jennie Frieda Brattkow (1912).

Helaas werd de puberteit van Kurt Noah gekenmerkt door het vroege verlies van zijn vader, die overleed in februari 1922, toen Kurt pas 14 jaar oud was.
Zijn moeder kon het verlies van haar echtgenoot niet verwerken en raakte geheel de weg kwijt. Het was zo ernstig dat zij in 1931 onder curatele kwam te staan van haar schoonzuster Helene Noah.

Na de middelbare school ging Kurt werken als verkoper en volgde hij cursussen om als etaleur aan de slag te kunnen. Al in 1934 werd er echter voor dit zelfstandige beroep een Arbeitsbuch verplicht, dat hij als Jood beslist niet zou krijgen. Dat betekende onder andere dat betaalde arbeid geen vanzelfsprekendheid meer was. Dit gegeven en de politieke ontwikkelingen, zoals het opkomende antisemitisme, waren de redenen die hem deden besluiten om elders werk te zoeken en te emigreren naar Nederland.
Door een Nederlandse firma werd hij hiertoe in de gelegenheid gesteld en op 21 februari 1934 trad hij in dienst bij de firma Ph. Knorringa, gesitueerd in de Herestraat in Groningen. Hij was dus “legaal” Nederland binnengekomen om ‘te wonen en te werken’. Nog dezelfde dag betrok Kurt een kamer aan de Herestraat 61A bij de familie Wildeman.

Kurt en Herta, 1934.

Eenzaam zonder familie en vrienden, vroeg Kurt aan zijn vriendin om zich bij hem te voegen. Vanwege hun ongehuwde status kon Herta echter geen inreisvisum verkrijgen. Op 20 mei 1934 verloofde het paar zich op afstand. Eenmaal in Groningen werd het huwelijk binnen een half jaar, op 25 oktober 1934, voltrokken.

Kurt en Herta vestigden zich op de Praediniussingel, waar zij verbleven tot november 1937. Gedurende die periode werkte Kurt als etaleur, handelsreiziger en stoffeerder. Zijn vrouw vond een baantje als kokkin in Hotel van de Werff op Schiermonnikoog en later bij de confectiefabriek Menco & Co. in Groningen.
Om zijn werk als handelsreiziger beter te kunnen uitoefenen besloten Kurt en Hertha eind 1937 naar het midden van het land te vertrekken en betrokken zij een woning in het centrum van Amersfoort.

Na de Kristallnacht en vervolgens de pogrom tegen de Joden in Berlijn in 1939, kwam de moeder van Kurt naar Nederland en trok begin 1940 voorlopig bij hen in. Eind december 1941 vond ze onderdak bij kennissen waar ze tot eind augustus 1942 verbleef. Op dat moment werden alle Joden boven de vijftig verplicht naar Amsterdam te verhuizen. Voor moeder Noah tekende zich een zware tijd af. Aan de lopende band werden in Amsterdam kennissen opgepakt en gedeporteerd. De enige lichtpuntjes waren de pakketten met levensmiddelen en lekkere etenswaren die ze van haar zoon en schoondochter en van vrienden mocht ontvangen. Ook brieven van haar dochter en schoonzoon uit Berlijn fleurden haar zo nu en dan op.

Op 10 maart 1943 werd Hermine Noah opgepakt en kwam ze terecht in de Hollandsche Schouwburg. Daar stuurde ze een kort bericht dat ze die vrijdag naar kamp Westerbork zou vertrekken. Op 6 april 1943 werd Kurts moeder hiervandaan vervolgens op transport gesteld naar het vernietigingskamp Sobibor, waar ze na aankomst direct om het leven werd gebracht.

Ondertussen woonden Kurt Noah en zijn vrouw officieel in een eengezinswoning aan de Vermeerstraat 24 in Amersfoort. Op zijn persoonsbewijs van 11 september 1942 staat hij bij de gemeente Amersfoort ingeschreven als ‘tuinman’.
Omdat het voor hem te gevaarlijk bleek om nog in het openbaar over straat te gaan, dook Kurt met Pasen 1943 onder. Bij dezelfde familie waar zijn moeder voor haar deportatie naar Amsterdam had gewoond, kreeg hij een veilig heenkomen.

Eind juli 1944 vertrok Kurt voor een paar dagen naar de ruim acht maanden zwangere Herta. Daar werd hij op 31 juli 1944 door de SD gearresteerd. Kurt werd in eerste instantie naar het SD-hoofdkwartier aan de Euterpestraat en vervolgens naar de gevangenis aan de Weteringschans gebracht.

Uit de briefwisseling die Kurt met zijn vrouw vanuit Westerbork onderhield blijkt zijn bezorgdheid, onmacht en liefde. Te lezen valt hoe blij hij bijvoorbeeld was met de geboorte van zijn dochtertje Irene (“vrede”) die op 8 september 1944 ter wereld kwam.

Op 14 augustus 1944 werd Kurt naar Kamp Westerbork weggevoerd.
Hij kwam als ‘politiek gevangene’ in eerste instantie op de strafafdeling terecht aangezien hij volgens de nazi’s:

1. De Duitse voorschriften tegenwerkte
2. Anti-Duitse propaganda verspreidde
3. Sabotage pleegde (hij was onder andere in het bezit van een vals persoonsbewijs
onder de naam Hans Richter)
4. Illegaal werkte (onder andere verduisteringen aanbracht in en rond Amersfoort)

Door zijn huwelijk met een niet-Joodse vrouw mocht Kurt na korte tijd de strafbarak verlaten en werd hij van transport naar het Oosten gevrijwaard. Kurt werd ondergebracht in Barak 7, Zaal 70, Bed 76 en verkreeg in Westerbork een baantje als tuinman. Het gaf hem de mogelijkheid om regelmatig buiten het kamp te komen.

Herta, hoogzwanger, was inmiddels ook opgepakt, en in de kazerne in Amersfoort aan de Heiligenbergerweg gevangen gezet. Uit de briefwisseling die Kurt met zijn vrouw vanuit Westerbork onderhield blijkt zijn bezorgdheid, onmacht en liefde. Te lezen valt hoe blij hij bijvoorbeeld was met de geboorte van zijn dochtertje Irene (“vrede”) die op 8 september 1944 ter wereld kwam, en anderzijds de bezorgdheid die hij voelde om hun beider gezondheid, of ze genoeg te eten hadden, of ze het een beetje warm konden krijgen en of er warme kleertjes voor de baby waren.

Na de bevrijding van kamp Westerbork mocht Kurt Noah onder andere vanwege veiligheidsredenen en zijn Duitse achtergrond niet naar huis terugkeren terwijl hij zo verlangde om zijn vrouw en dochtertje, dat inmiddels 7 maanden oud was, in zijn armen te sluiten. Na twee tot drie weken besloot Kurt zonder toestemming alsnog het kamp te verlaten. Daarbij nam hij een in het kamp achtergebleven studieviool met vioolkoffer mee. Het instrument was hoogstwaarschijnlijk blijven liggen bij vertrek van één van de gevangenen. Sinds 1996 bevindt de viool zich in de collectie van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Inmiddels is de hoop vervlogen dat de nabestaanden zich nog zullen melden. De viool werd al bij diverse exposities in het Herinneringscentrum tentoongesteld.

Kurt, Herta en Irene, dan 1 jaar en 4 maanden oud.

Na terugkeer bij zijn vrouw en dochtertje duurde het ongeveer een jaar voordat Kurt weer in staat was om te functioneren. Op 6 mei 1946 werd hun tweede dochter Charlotte geboren. In de jaren die volgden probeerde Kurt met succes zijn rechtshandelingbevoegdheid, die hem tijdens de oorlogsjaren was afgenomen terug te krijgen. In 1948 werd zijn naturalisatieverzoek, dat hem in 1937 nog was geweigerd, ingewilligd.

Na de bevrijding werd duidelijk hoe weinig familieleden de oorlog hadden overleefd. Eerst zocht Kurt naar bevestiging van hun lot, daarna drong de wrange werkelijkheid pas echt door. Groot was vooral het verdriet toen duidelijk werd dat zijn enige zuster en haar man al op 19 februari 1943 vanuit Berlijn op Ost-Transport naar Theresienstadt waren afgevoerd. Van hen werd nooit meer iets vernomen, maar aangenomen wordt dat zij slechts enkele dagen na vertrek zijn vermoord.
De familieleden die de oorlog overleefden waren voor 1940 naar Zuid-Amerika geëmigreerd of hadden de gevaarlijke reis naar Palestina gewaagd. In Berlijn bleek één neef nog in leven, eveneens vanwege zijn huwelijk met een niet-Joodse vrouw.
Het duurde tot 1950 voordat Kurt en Herta naar Duitsland gingen om het contact met de overlevenden van beide families te herstellen – ook in haar familie had de oorlog zijn tol geëist, ondanks hun niet-Joodse afkomst.

In het gezin van Kurt en Herta werd weinig over de oorlogstijd gesproken. Alleen wanneer de familie bij Joodse vrienden en kennissen op bezoek waren, werden de leuke anekdotes verteld, zoals over de gevaarlijke grappen die werden uitgehaald met de bewakers van het kamp en het smokkelen van aardappels na het werk buiten het kamp.

Aangezien Kurt Noah artistiek zeer onderlegd was is hij na enige jaren samen met zijn vrouw Herta, die inmiddels coupeuse van beroep was, een eigen modebedrijf begonnen. Ze ontwierpen mutsen en hoeden, later aangevuld met bruidshoeden en bruidstasjes. Verder importeerde Kurt shawls en lingerie uit Italië, bijouterieën uit Zuid-Duitsland en kant uit België en Zwitserland. Met het hele gezin toog hij dan met zijn Volkswagen Kever (1950) naar het buitenland om ook zelf zijn stoffen en accessoires uit te zoeken.

In 1959, toen Kurt en Hertha 25 jaar getrouwd waren, kocht het gezin een grotere woning om hun bedrijf uit te breiden. Daar ontstond een atelier met personeel en thuisnaaisters. Oudste dochter Irene kwam op 17jarige leeftijd in het bedrijf te werken.

Inmiddels had Kurt de VW kever ingeruild voor zijn eerste Mercedes. Een grotere auto was noodzakelijk om zijn collectie te vervoeren. Want terwijl thuis het werk doorging, reisde Kurt door het land om zijn creaties te verkopen. Met succes. Wat waren Kurt en Herta trots toen bleek dat toenmalig Koningin Juliana bij een klant van hen, de firma Metz & Co. in Den Haag, haar oog had laten vallen op één van zijn ontwerpen.

Op 27 maart 1994 kwam Kurt Noah op 87jarige leeftijd– bijna gelijktijdig met zijn vrouw Herta die vijf dagen eerder onverwachts op 82-jarige leeftijd stierf – na een ziektebed van bijna vijf weken te overlijden.