Kurt Schlesinger

Oud-journalist Sjoerd Post dook in het leven van Kurt Schlesinger, ‘de onderkoning van Westerbork’. Post schreef een bijzonder portret over één van de meest besproken gevangenen van het kamp.

Kurt Schlesinger aan het werk in kamp Westerbork.

Kurt Schlesinger

Kurt Schlesinger was een Duits-Joodse vluchteling die door de commandant van kamp Westerbork verantwoordelijk werd gemaakt voor het regelen van de transporten van meer dan honderdduizend Joden naar de vernietigingskampen. Hoewel hij gevangene was, collaboreerde hij in feite met de Duitse kampcommandant Albert Konrad Gemmeker. Na de oorlog werd hij gehoord bij het proces tegen Gemmeker, voor wie hij een zeer gunstig getuigenis aflegde. Samen met zijn vrouw verbleef hij nog enkele jaren in Nederland en emigreerde vervolgens naar de Verenigde Staten van Amerika, waar hij in 1963 is overleden.

In Duitsland
Kurt Schlesinger werd op 17 december 1902 geboren in het stadje Schmalkalden in Thüringen. Hij was de zoon van de Joodse fabrieksdirecteur Julius Schlesinger en diens vrouw Hedwig Sulzbacher. Na de lagere school bezocht hij de HBS en werkte daarna twee jaar bij een bouwbedrijf in Eisenach. Op 22-jarige leeftijd kwam hij in dienst van de werktuigenfabriek van zijn vader. Schlesinger woonde als mechanicus tot 1939 in zijn geboorteplaats Schmalkalden. Hij trouwde in 1937 met Thea Francis Klein. Een jaar later, in 1938, werd de fabriek van de familie Schlesinger als gevolg van de wetten tegen de Joden door de nazi’s onteigend.

Kristallnacht
Na de bedreigingen tijdens de Kristallnacht vluchtte het echtpaar Schlesinger op 12 januari 1939 richting Amsterdam. Bij de grens in Zevenaar werden ze uit de trein gehaald en in een wachtlokaal van de Marechaussee ingesloten. In een rapport na de oorlog beschrijft Kurt Schlesinger hoe zij eerst ’s avonds onder begeleiding naar een kamp aan de Zeeburgerdijk bij Amsterdam werden gebracht. In dat rapport beklaagt hij zich over de opvang in Nederland en het feit dat zij maar één gulden kregen om van rond te komen. Gezegd moet worden dat vrijwel alle Joodse vluchtelingen uit Duitsland vergelijkbare ervaringen hadden. Zij hadden gehoopt vanuit Nederland verder te reizen, maar geen enkel land wilde hen hebben, tenminste niet in hun berooide staat. Nederland weigerde hun permanent asiel te verlenen en verbande hen in feite naar de vergetelheid van een kamp op de Drentse heide. Zo kwam ook het echtpaar Schlesinger op 27 februari 1940 in het nieuw geopende Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork.

Gezegd moet worden dat er in ons land, maar ook elders, sprake was van een grote mate van onverschilligheid ten opzichte van de gevluchte Joden, oplopend tot openlijke vijandigheid. Deze eerste (Duitse) bewoners van het kort tevoren geopende kamp Westerbork voelden zich door de wereld in de steek gelaten en verworpen door zelfs hun eigen geloofsgenoten. Zij beschuldigden de Nederlandse Joden, die vanaf 1942 in Westerbork werden geïnterneerd, van egoïsme en ongevoeligheid voor hun lot. Kurt Schlesinger schreef na de oorlog over de gevoelens waardoor veel van de Duits-Joodse bestuurders van het kamp zich in de oorlog lieten leiden bij de behandeling van hun Nederlandse broeders. ‘Omdat ze het toen beter hadden, waren wij van mening dat ze het nu slechter moesten hebben.’

Schlesinger werd bij aankomst in Westerbork ingedeeld bij een groep mannen die greppels moesten graven. Een licht letsel aan een hand maakte al snel een eind aan zijn werk bij de graafploeg. Toen hij ontdekte dat er een vacature was op het bureau van het Joods Vluchtelingencomité was hij er als de kippen bij. Hij werd aangenomen en net als hij eerder de schop ter hand had genomen, pakte hij nu de pen in de hand. Toen de meidagen van 1940 aanbraken werden de 750 gevangenen van Westerbork enkele weken geëvacueerd naar Leeuwarden. Bij hun terugkeer was het Centraal Vluchtelingenkamp overgenomen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken door dat van Justitie. Kapitein Schol werd als eerste commandant geïnstalleerd, een man die bij tijd en wijle enorme aanvallen van razernij kreeg. Hij voerde een serie maatregelen in die hij heilzaam en noodzakelijk achtte en die twee jaar later door het nazi-commando in zijn geheel werden overgenomen.

Macht sich wichtig
Schlesinger was alles behalve blind voor de tekortkomingen van Schol. Door zijn werk voor het Joods Vluchtelingencomité had hij regelmatig contact met de commandant. In diverse publicaties wordt aangegeven hoe hij zijn krachtige persoonlijkheid ten volle benutte in zijn omgang met de simpele kapitein. Schlesinger blonk uit in wat in de kamptaal MSW heette: macht sich wichtig. Er waren veel rivalen onder de gevangenen, maar niemand overtrof hem in deze kunst. Kapitein Schol werd dan ook in de gesprekken met Schlesinger duidelijk overtroefd. Toen het op een gegeven moment steeds duidelijker werd dat het kamp in Duitse handen zou overgaan, kwam Schlesinger met een suggestie. Hij stelde Schol voor de Joodse gevangenen een rol te geven in de leiding van het kamp. Als argument hanteerde hij de stelling dat Schols positie in het geding was als de Duitsers de SS binnen haalden om het kamp te leiden. Alleen door een organisatie neer te zetten die zo perfect was dat het waanzin zou zijn om die te wijzigen konden de nazi’s ervan weerhouden worden hun eigen gezag op te leggen. Schlesinger drong aan op het invoeren van een streng regime. Het dagelijkse appèl moest buiten worden gehouden in plaats van in de grote barak binnen. Hij stelde ook de instelling van een Joodse politiemacht voor, de OD. Gehuld in een overall werden de OD’ers de loyale hulp van de Duitsers. In het kamp stonden ze bekend als de ‘Joodse SS’. Commandant van de OD werd de gevangene Arthur Pisk. Op deze manier ontstond een geraffineerd systeem waarbij een klein groepje Duitse Joden, die tot de zogeheten elite behoorden, actief mee zou werken aan de deportatie van 107.000 Joden. De beloning voor dit minderwaardige, duivelse werk was uitstel van deportatie. Kurt Schlesinger werd bij order van 1 maart 1942 het hoofd van de nieuw aangestelde bestuurders (Oberdienstleiter), maar tot die elite hoorden onder andere ook Pisk van de Ordedienst en Spanier, de hoofdarts van het kamp.

Kurt Schlesinger wordt aangesteld bij het emigratiebureau, 1940.

Op 1 juli 1942, een paar maanden na de reorganisatie van Schol/Schlesinger werd Obersturmführer Deppner de nieuwe commandant. Twee weken later begonnen de eerste transporten: in totaal 400 gevangenen, bijna allemaal Duitse Joden, vertrokken voor een onbekende reis naar ‘het Oosten’. Na hun vertrek barstte onder de oude kampbewoners de razernij uit. Zij voelden zich bedrogen door de Joodse Raad. De leden van de Raad hadden openlijk toegegeven dat ze van plan waren buitenlandse Joden boven aan de lijsten te plaatsen die ze moesten opstellen voor de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung, de nazi organisatie die verantwoordelijk was voor ‘de emigratie’. Nu hun vermoedens waren bevestigd besloten de oude bewoners dat ze zouden zegevieren over de Raad, de Nederlandse Joden en zelfs over hun eigen lot. De ideale man om dat doel te bereiken was Kurt Schlesinger, de Oberdienstleiter van de Joodse bestuurders. Hij had direct toegang tot de commandant die weinig interesse had in bestuurszaken en zich liever vermaakte met het uitschelden van zijn machteloze slachtoffers. De verwensingen die hij de Joden regelmatig naar het hoofd slingerde, waren – volgens veel kampbewoners – nog gematigd vergeleken bij die van Schlesinger. Hoe het ook zij, Deppner en Schlesinger begrepen elkaar.

Geen Duitse Joden op transport
Toen het volgende transport Westerbork verliet was er niet één ‘pionier’ bij. En dat bleef (vrijwel) zo tot de laatste dagen van de transporten. Dit werd simpel bereikt door het promoveren van tweeduizend van de ongeveer drieduizend Duitse Joden die al voor 1 juli 1942 in het kamp zaten, de Alte Kampinsassen.

Met hun vrijstelling van deportatie begon de uitbanning van de Nederlandse invloed op de kampaangelegenheden. Geleidelijk werden de Nederlandse bestuurders vervangen door Duits-Joodse gevangenen. In dezelfde tijd kwam er een einde aan de invloed van de Joodse Raad en ontstonden er grote tegenstellingen tussen de Nederlandse en Duitse Joden.

Kurt Schlesinger was als hoofd van Dienstbereich II in de positie om als een grootvorst de scepter te zwaaien. Zijn afdeling vormde het zenuwcentrum van het kamp. In een eigen verslag staat dat de afdeling alle algemene administratieve taken, vooral die verband houden met de inkomende en uitgaande transporten verzorgt. Schlesinger had twee zaken bereikt: de SS buiten het kamp gehouden en de Alte Kampinsassen hadden een steeds grotere autonomie gekregen.

In juli, de eerste maand van de transporten, waren er zeven treinen met 6.600 mensen ‘verwerkt’. De hele operatie werd uitgevoerd met een bereidwilligheid die geen twijfel liet over de betrouwbaarheid en vaardigheid van de eerste ‘kolonisten’ van het kamp. Ze werkten, organiseerden en administreerden en liepen vanaf die tijd geen gevaar meer vervangen te worden. Dagelijks werden er rapporten verzonden naar de centrale cartotheek, zodat op elk moment de commandant gemeld kon worden hoeveel Joden er beschikbaar waren voor ‘emigratie naar het Oosten’. Vrijwel iedere week vertrok er een trein, meestal naar Auschwitz. In dagboeken van kampbewoners die Westerbork hebben overleefd, is te lezen hoe dikwijls al dagen te voor bekend werd wie aan de beurt was voor het transport. En hoe de mensen zich naar de Boulevard des Misères begaven om de ongelukkigen nog een hand te geven of een laatste omhelsing. IJzingwekkende taferelen speelde zich op die hoofdweg van het kamp bij het perron.

In oktober 1942 werd Obersturmführer Albert Konrad Gemmeker commandant van kamp Westerbork. In ‘Boulevard des Misères’, het verhaal van doorgangskamp Westerbork van Jacob Boas staat een passage over het bezoek van een voormalige Oostenrijkse officier Wohl, die voor de nazi’s onderzoek deed hoe een modelkamp te verwezenlijken. Hij betitelde Westerbork als een voorbeeld voor de Duitse kampen elders als het ging om ordelijkheid en de onberispelijke wijze waarop aan de transportquota’s werd voldaan. De onderzoeker schreef de efficiëntie van Westerbork toe aan het hoge kaliber van een klein groepje bestuurders, allemaal Duitse Joden.

In de dagboeken staat te lezen hoe Schlesinger handen had als kolenschoppen en de nek van een stier. Hij had een reusachtig kaal hoofd en een pafferig gezicht, dat gekenmerkt werd door een rossig Hitler-snorretje, lichtblauwe fosforescerende ogen en dikke, sensuele lippen.

Niet het bureau van de Lagerkommandantur Gemmeker kon aanspraak maken op de titel uitvoerend orgaan, maar een aantal Duits-Joodse leiders. Hierbij was hij met name lovend over het hoofd van de administratie, die hij aanduidde als ’Nr. 1’. Hij schrijft: ‘Nr. 1 is iemand die weinig weg heeft van de typische Jood, maar des temeer van de Pruis, iemand met een uitzonderlijk organisatietalent, maar aan de andere kant een volledig gebrek aan scrupules als zijn eigen belangen of die van de Alte Kampinsassen in het geding zijn.’

Uitstraling van een almachtige
Ook in het dagboek ‘In Depot’ van Philip Mechanicus wordt Schlesinger regelmatig genoemd als iemand wiens naam synoniem staat met het doel van het kamp. Het was zijn verantwoordelijkheid de verlangde quota’s voor de treinen naar het Oosten te leveren en zodoende had hij absolute zeggenschap over de samenstelling van de transportlijst. Gemmeker liep de avond voor het vertrek van de trein slechts de lijst na om zich ervan te verzekeren dat het vereiste aantal werd gehaald. ‘Schlesinger is een Emporkömmling (parvenu)’, schrijft Mechanicus, ‘die de macht heeft met de Joden te doen wat hij wil.’ Het leiderschap over het transportwezen verleende Schlesinger de uitstraling van een almachtige. Zijn geweldige gestalte bevestigde dit beeld. In de dagboeken staat te lezen hoe Schlesinger handen had als kolenschoppen en de nek van een stier. Hij had een reusachtig kaal hoofd en een pafferig gezicht, dat gekenmerkt werd door een rossig Hitler-snorretje, lichtblauwe fosforescerende ogen en dikke, sensuele lippen.

In kamp Westerbork stond Schlesinger bekend als de ‘Joodse SS’er’, die iedereen schrik aanjoeg. Meestal droeg hij een zwart legerhemd, een grove bruine rijbroek, zwarte rijlaarzen en een pet in nazi-stijl. Met de rijzweep die hij soms droeg vertegenwoordigde hij voor het kamp de fanatieke Duitse militair: arrogant, zelfverzekerd, bruut, koud. De gevangenen fluisterden dat hij lid was van de Schwarze Reichswehr, de illegale paramilitaire organisatie gesticht door rechtse Duitsers na de Eerste Wereldoorlog.

Bijzonder detail in het boek ‘In Depot’ is de aanrijding waarbij Gemmeker en Schlesinger zijn betrokken. Beide mannen reden op de fiets door het kamp en raakten met de sturen van elkaars fietsen elkaar en komen te vallen. Hierbij heeft Schlesinger een been gebroken en Mechanicus beschrijft hoe tal van kampingezetenen hun handtekening kwamen zetten op het gipsbeen.

Geen weet van kampen in Oosten
Twee dossiers in het Rijksarchief in Den Haag bevatten diverse processen-verbaal en andere papieren over Schlesinger. In een verbaal bij zijn arrestatie op 12 december 1945 verklaart hij zich ingezet te hebben om mensen te vrijwaren van deportatie naar de kampen in het Oosten. ‘Als het niet lukte hen hier te houden dan zorgde ik er voor dat ze naar Theresienstadt gingen in plaats van Auschwitz. We wisten dat Theresienstadt een beter kamp was.’ In dat proces-verbaal ontkent hij overigens weet te hebben gehad van wat er in die kampen gebeurde. Hij verklaart nooit meer mensen op transport te hebben gezet dan was voorgeschreven en ook nooit een vergoeding van iemand te hebben aangenomen, hoewel hem dat wel werd aangeboden. In tegenstelling tot wat veel kampbewoners die Westerbork hebben overleefd hebben verklaard, zegt Schlesinger nooit onderscheid te hebben gemaakt tussen Duitse en Nederlandse Joden. Hij zou ook nooit met vrouwelijke kampbewoners een verhouding hebben gehad. Uitvoerig gaat hij in op de aantijging dat hij een vrouw mishandeld zou hebben op het perron bij het vertrek van een transport. ‘Het is mij bekend dat een vrouw geduwd en geschopt is bij het vertrek van een transport. Ik heb dat niet gedaan, maar een andere dienstleider en ik weiger zijn naam te noemen daar ik niemand wil verraden.’

Het verbaal beschrijft verder hoe Schlesinger in mei 1944 samen met een andere dienstleider, Fried, en vijftig typistes afschriften heeft gemaakt van alle transportlijsten. Deze zijn daarna in het kamp begraven en na de bevrijding overhandigt aan de Canadese militairen. Op 11 april, vlak voordat de geallieerden Westerbork bereikten, droeg kampcommandant Gemmeker de leiding van het kamp over aan Schlesinger. Opmerkelijk detail in de verklaring van Schlesinger is de vraag aan Gemmeker hem een vuurwapen te geven om zich te beveiligen tegen kwade elementen. Omdat Gemmeker geen wapen aan een Jood mocht geven verzocht Schlesinger de commandant het wapen ergens neer te leggen. Zo kreeg Schlesinger een wapen en hield Gemmeker zich aan de regels. Op 12 april droeg Schlesinger overigens de leiding over aan Van As, aan wie hij ook het wapen gaf. Volgens één van de papieren in de dossiers vertrok Schlesinger op 18 juli 1945 uit het kamp. Nadat hij dus in december 1945 gearresteerd was en ook enige tijd in Westerbork geïnterneerd was, werd hij volgens een bericht van het hoofd van de Politieke Opsporingsdienst op 28 januari 1946 voorwaardelijk uit gevangenschap ontslagen.

Vriendelijk
Er zijn ook kampbewoners die na de bevrijding een positieve verklaring afleggen over Schlesinger. Zo zegt de leraar Samuel Dresden uit Amsterdam dat de houding van de Oberdienstleiter misschien wat meer uit de hoogte was dan noodzakelijk, maar in de regel vriendelijk. Ook Hans Simon Ottenstein, hoofd van de Antragstelle, en Herta Maria Caan uiten zich in deze bewoordingen.

Haaks daarop staat een verklaring van de Amsterdamse kantoorbediende Harry Roorman. Hij werd als Jood in juni 1943 gearresteerd en werd later ingedeeld bij de Ordedienst in het kamp. Hij noemt het gedrag van Schlesinger zeer aanmatigend tegenover de kampbewoners. ‘Hij dwong ons voor hem te salueren, terwijl dat alleen voor de Duitsers verplicht was.’ Roorman verklaart dat bij het samenstellen van de transportlijsten eerst de Nederlanders werden ingevoerd en pas later Duitse Joden als het opgegeven aantal niet gehaald werd. Roorman ontkwam aan de Duitsers toen hij overgeplaatst werd naar Amsterdam en in Zwolle wist te vluchten.

Portretfoto Kurt Schlesinger, kamp Westerbork.

Notaris Eduard Spier arriveerde in augustus 1942 in het kamp als gedelegeerde van de Joodse Raad. Zijn taak was de belangen van de Raad in het kamp te behartigen. ‘Mijn ervaringen met Schlesinger zijn niet prettig’, verklaart hij na de oorlog. ‘Hij schreeuwde en tierde tegen de bewoners en maakte het mij zeer moeilijk de transportlijsten in te zien. Daardoor konden we niets doen voor de mensen die op de lijsten stonden. Wanneer men met Schlesinger iets had gehad of als hij het gevoel had dat hij door iemand werd gedwarsboomd kon zo iemand er zeker van zijn dat hij ingedeeld zou zij bij één van de volgende transporten.’

Tenslotte de verklaring van Albert Karel Spanjaard uit Born. Hij werd in september 1943 geïnterneerd in Westerbork en kreeg via een kennis contact met Schlesinger. ‘Ik werd zeer vriendelijk op zijn kamer ontvangen en kreeg zelfs een goede sigaar aangeboden. Hij stelde mij voor een brief te schrijven naar één van mijn bekenden in de regering. Hoe hij wist dat ik daar contacten had weet ik niet. Ik moest hem verzoeken om Schlesinger na de oorlog in Nederland te laten blijven. Ook moest ik laten weten dat Schlesinger één van de grootste fabrikanten van Duitsland was en zeer fatsoenlijk.’ Toen Spanjaard aangaf daar weinig voor te voelen heeft Schlesinger volgens Spanjaard hem op een fatsoenlijke manier geprest de brief toch te schrijven. ‘Bang dat ik op transport gesteld zou worden heb ik een brief geschreven aan secretaris-generaal Jonkheer mr. A. M. Snouck Hurgronje.’ Afgesproken werd dat Schlesinger de brief zou verzenden. Na de oorlog bleek de brief nooit bij de secretaris-generaal aangekomen te zijn.

Gehoord, niet vervolgd
In het proefschrift ‘Als ik morgen niet op transport ga’ beschrijft Eva Moraal hoe Kurt Schlesinger en medebestuurder Heinz Todtman na de oorlog ondervraagd zijn door Justitie. In het kader van de Bijzondere Rechtspleging zijn op 12 december 1948 processen-verbaal opgemaakt van beide mannen. Gerechtelijke vervolgingen hebben echter niet plaatsgevonden. De vraag blijft waarom nooit tot vervolging is overgegaan. Er zijn namelijk wel pogingen in het werk gesteld. In ‘The holocaust, lest we forget’ lezen we hoe Schlesinger bij het eind van de rechtszaak tegen zijn voormalige kampcommandant van het toneel verdween. ‘Hoogstwaarschijnlijk werd het hem duidelijk dat ook hij gezocht werd om zijn rol als medewerker van de nazi’s uit te leggen. Jaren van intensief zoeken naar verblijf- of schuilplaats faalden. Tot dat ik in 2004 Aad van As, de voormalige distributiekantoor-ambtenaar ontmoette. Van hem vernam ik dat Pisk naar Australië was geëmigreerd, terwijl Schlesinger in Amerika zijn toevlucht had gezocht en gevonden’, aldus de samensteller van ‘The holocaust, lest we forget’.

Kurt Schlesinger en zijn echtgenote Thea Klein blijken in Amerika enige jaren te hebben gewoond in Paramus, een plaatsje in New Yersey, onder de rook van New York. Daar liggen beide begraven. Volgens een medewerker van het NIOD (Nederlands Instituut voor Oorlogs-, Holocaust – en Genocidestudies) is door Justitie nooit overwogen gerechtelijke stappen te nemen tegen de twaalf Duits-Joodse dienstleiders. Zij zouden als gevangenen gedwongen zijn hun medewerking te verlenen. Wanneer zij weigerden zouden ze zelf op transport zijn gegaan naar één van de vernietigingskampen. Zie hier, de duivelse uitwerking van het plan een deel van de elite van de Duitse Joden verantwoordelijk te maken voor de gang van zaken in kamp Westerbork.