Levie & Lena Meents

Levie (1917) en Lena Meents (1920) kwamen in november 1942 in Westerbork terecht. Beiden wisten een belangrijke functie te verkrijgen, waardoor ze tot de bevrijding in het kamp konden achterblijven. Met dank aan Mark Hemelt en Victor Cadoni, leerlingen van de Ubbo Emmius Scholengemeenschap in Stadskanaal.

Levie Meents.

Levie & Lena Meents

Levie Meents: ‘Op 28 november 1942 kwamen we in Westerbork aan, samen met een tante van Lena. Het was een groot transport. We werden geregistreerd en naar een barak gestuurd met ontzettend veel mensen. Daarna moesten we ons melden bij de registratie om te werk te worden gesteld. Ik werd in eerst instantie ingedeeld bij de Fliegende Kolonne, maar dat werk beviel me helemaal niet. Ik wilde daar zo snel mogelijk weg. In Amsterdam had ik bij het Joodse ziekenhuis in de wasserij gewerkt. Ik heb me daarom opgegeven om ook in Westerbork in de wasserij aan het werk te gaan. Dat is ten slotte gelukt.’

De wasserij van kamp Westerbork, vlak na de bevrijding.

Lena Meents: ‘Ik had in 1940 een cursus gevolgd bij het Rode Kruis. In Westerbork heb ik mijn papieren van deze cursus laten opsturen en ben daarmee naar het ziekenhuis gegaan. De niet-Joodse zuster Van ‘t Hof heeft me aangenomen als verpleegster.’

Levie Meents: ‘Eens in de week of twee weken mochten de kampingezetenen hun was brengen en dan moest alles gewassen worden. Daarnaast moest de was van kampcommandant Gemmeker gedaan worden. Ik moest één keer in de week naar het huis van de commandant gaan en met een collega de was op zolder te drogen hangen. Ik keek op die zolder mijn ogen uit. Er hing allemaal vlees te drogen, spek en worsten. Daar hebben we weleens stiekem wat van opgegeten.’

Ik keek op die zolder mijn ogen uit. Er hing allemaal vlees te drogen, spek en worsten. Daar hebben we weleens stiekem wat van opgegeten.

Lena Meents: ‘In de tijd dat we in Westerbork zaten hebben we veel familie voorbij zien komen. Zo kwam in 1944 een ver familielid in het kamp terecht, een achter-, achter-, achter-tante. Een bijzonder verhaal. Het mensje – Klara Borstel – was al 102-jaar oud. We zijn bij haar op bezoek gegaan, ze lag in één van de ziekenbarakken. Ze was nog pittig en fel als altijd, maar ze herkende ons niet meer. Ze was zo licht geworden dat toen ze haar op een brancard legden, ze er zo weer afgleed. Op haar verjaardag, zo ging het verhaal in het kamp, kreeg ze bloemen van Gemmeker. Ze is met één van de laatste treinen naar Theresienstadt gedeporteerd en heeft de oorlog niet overleefd.’

Arbeidskaart van Lena Meents.

Levie Meents: ‘Met dat transport zouden we zelf ook worden weggevoerd naar het Oosten. We hadden alle spullen ingepakt en stonden klaar om te vertrekken. Op het laatst zijn we alsnog achtergehouden. Waarom is niet helemaal duidelijk. Er waren echter weinig stellen waarvan zowel de man als de vrouw een belangrijke functie vervulde.’

Levie Meents: ‘Vlak voor de bevrijding zijn de Duitsers met fietsen en vrachtwagens vertrokken. Het was een hachelijke situatie. Toen uit het niets waren er opeens Canadese soldaten. Een vreemd en komisch tafereel, zo deed het ons destijds aan. We konden het niet helemaal bevatten. Na de bevrijding mochten we niet direct vertrekken. Ik heb daarover geklaagd toen. Direct kreeg ik een belangrijke functie toegewezen. Ik moest zogenaamd naar Groningen toe om inkopen te doen voor zeep. Een doekje voor het bloeden natuurlijk. Later moest ik met NSB’ers, die vanaf eind april in het kamp gevangen zaten, het bos in. Hout sprokkelen.’

Formulier met toestemming om te vertrekken.

Lena Meents: ‘We hebben de oorlog nooit helemaal kunnen afsluiten. Altijd als er wat op televisie over Westerbork kwam, moesten we kijken. We hebben het er ook met onze kinderen over gehad. Onze zoon is meer gesloten, maar onze dochter is met ons terug naar Westerbork gegaan. Door ons verhaal te vertellen hopen we dat het doorgegeven wordt. Het verhaal van Westerbork, de boodschap erachter. Dat een situatie als waar wij in gezeten hebben, nooit meer plaats zal vinden.’