Liesel Heynemann

Sjouke B. Dekker schreef een bijzonder portret over Liesel Heynemann (1926). Liesel wist dankzij de functie van haar vader tot de bevrijding in kamp Westerbork achter te blijven.

Liesel Heynemann door Leo Kok.

Liesel Heynemann

‘Je hebt van die mooie Joodse ogen.’ Dat zei tekenaar Leo Kok toen hij haar in kamp Westerbork portretteerde. De gelijkenis is frappant, een halve eeuw later, tussen die zwart wittekening en de videostill in kleur uit 1995 van het JFCS San Francisco Holocaust Center.

Ze moet ‘een beetje lachen’ om de uitspraak op z’n Duits van haar meisjesnaam. Graag Heynemann met een Nederlandse ei-klank. Het ligt gevoelig. Dat blijkt uit het interview met de dan 86-jarige mevrouw Liesel Reichsthaler-Heynemann in 2012 met een medewerker van Herinneringscentrum Kamp Westerbork.

Dit portret is grotendeels op die oral history (scherpe herinneringen, flarden herinnering en vage herinneringen) gebaseerd.

Enig kind is ze. Dochter van Walter Heynemann en Else Heynemann-Heine. Het gezin woont in Dortmund bij grootouders in. Liesel kan zich 80 jaar later nog woordelijk herinneren dat kinderen niet meer met haar mogen spelen. ‘Ich darf nicht mit dir spielen, weil du Jüdin bist!’

Ze reist in 1933 met haar moeder vader na die eerder naar Nederland is gevlucht en zich in Amsterdam heeft gevestigd aan de Noorder Amstellaan 83 (nu Churchilllaan). Het meisje voelt zich er als zevenjarige meteen thuis. Naar eigen zeggen is ze in die tijd overdreven Nederlands en wil niet meer in het Duits aangesproken worden. Ze gaat naar school in de Jekerstraat, een straat verderop, waar de juf haar tot voorbeeld stelt: ‘Jullie moeten een voorbeeld nemen aan dat meisje dat zo goed Nederlands kan praten.’ Liesel herinnert zich dat haar moeder in tegenstelling tot haar vader moeite heeft met het Nederlands. ‘Dan zei ik tegen haar: je mag in de tram wel bij me komen zitten, maar je mag niet met me praten. Want dan sprak ze met zo’n accent en dan geneerde ik me dood.’

FK-band Liesel uit kamp Westerbork.

Haar ouders hebben veel contact met andere vluchtelingen uit Duitsland. Zo komen bijvoorbeeld de familie Frank en zij regelmatig bij elkaar over de vloer voor een partijtje bridge.
In die begintijd is het verhuren van kamers van het eigen appartement een bron van inkomsten. Ondertussen pakt vader Walter ieder baantje aan dat hij kan krijgen. Ook begint hij thuis in de badkuip te experimenteren met het maken van cosmetica. Na verloop van tijd ontstaat een bedrijfje in cosmetische artikelen waarvan moeder de boekhouding doet. Het groeit uit tot ‘Pento’. Het reclamerijmpje van destijds rolt Liesel tijdens het interview spontaan uit de mond: ‘Al die leuke olifantjes hebben leuke Pento-tandjes, want die tandjes poetsen zij dagelijks twee maal, net als jij.’

Liesel compenseert het ontbreken van broertjes of zusjes (‘Dat vond ik heel erg.’) door een grote vriendinnenkring. Ze is een buitenkind dat altijd op straat te vinden is. Sportief is ze ook: schaatsen op de kunstijsbaan op echte kunstschaatsen (‘mijn lust en mijn leven’) en op het natuurijs van de Amstel. Maar ook met vrienden en vriendinnen zeilen in Vinkeveen. Totdat ook daar geldt: Verboden voor Joden. Na de lagere school gaat ze naar de MULO in de Dommelstraat. En daarna naar de Joodse school in de Christiaan de Wetstraat. Op de fiets; totdat het niet meer van de Duitsers mag.

In 1943 wordt ze samen met haar moeder tot twee keer toe opgepakt. De eerste keer zijn ze al in de Hollandsche Schouwburg, maar ontspringen ze de dans door een door vader Walter georganiseerd briefje waarvan ze de tekst vijftig jaar later nog woordelijk kent: ‘Inhaber dieses ist berechtigt die Strasse nach 8 Uhr zu betreten, SS Hauptsturmführer Würlein.‘ Een paar maanden later blijkt er voor hen geen ontkomen aan als zelfs de leiding van de Joodse Raad op transport gaat naar Westerbork.

Bijna zeventien is ze als haar gegevens bij registratie in het kamp op 29.09.43 op een roze persoonskaart van LAGER WESTERBORK worden getypt. Daarop staat onder Familie: m. Mutter Else geb. Heine 30.06.01 en verder Vater Walter 9.8.01 hier im Lager. Na aankomst wordt ze met haar moeder in het kamp eerst ondergebracht in barak 41 (woningen en zaal voor meisjes). Later zullen ze als gezin nog verblijven in barak 44 (kantoor barakleiding en LAWA) en 15 D (woningen en zaal voor mannen en kantoor Joodse Raad).

‘Rotmomenten. Verschrikkelijk. Je bent helemaal nergens meer.’ Het is haar reactie op de vraag hoe ze het wekelijkse vertrek van de trein ervaren heeft.

Op eigen verzoek wordt ze ingedeeld bij een werkploeg voor buitenwerk, want binnen zitten is niks voor haar. Het werk bevalt haar slecht: hele dagen stenen sjouwen, batterijen uit wagons scheppen en aardappels rooien. Uiteindelijk komt ze dankzij een hardnekkige blaasontsteking terecht in het zogenaamde Atelier Herzberg, waar onder andere overalls worden genaaid.
Daarnaast maakt ze deel uit van de zogenaamde Fliegende Kolonne, een groep vaak jonge mensen die de OD (Ordedienst) met hand- en spandiensten moet ondersteunen. In de praktijk komt het neer op het controleren en verspreiden van toegezonden pakjes, op het helpen van medekampgenoten met hun bagage bij aankomst in het kamp. Of op hulp bij vertrek naar de trein… Desgevraagd zegt ze in het interview van 2012 zich goed te herinneren dat ze de aankomst van de Sinti en Roma in het kamp ‘verschrikkelijk’ vond. En dat meteen na aankomst de violen van de zigeunervrouwen werden afgepakt. Maar vooral dat die vrouwen in het bijzijn van Duitsers werden onderzocht.

‘Rotmomenten. Verschrikkelijk. Je bent helemaal nergens meer.’ Het is haar reactie op de vraag hoe ze het wekelijkse vertrek van de trein ervaren heeft. Die keer dat haar vriendin Mary Bromet op transport moest, heeft ze het allerergste gevonden. ‘Als Mary en ik vrij waren liepen we altijd samen te wandelen langs het prikkeldraad van het kamp en vroegen ons af of we er ooit uit kwamen.’ Ze vertelt dat ze met Mary op transport wilde gaan; iets waarvan andere vriendinnen haar hebben weerhouden. ‘Ik heb haar toen mijn ijstrui gegeven. En ze zei: Dat moet je niet doen. Daar ben je zo op gesteld. Je hebt hem zelf gemaakt… .’ Liesel moet toen, zo zegt ze zelf, helemaal door het dolle heen geraakt zijn en heeft de op het perron aanwezige Duitsers in het Nederlands voor ‘Vuile rotmoffen!’ uitgemaakt.

Een andere vriendin is Hannelore Eisinger-Cahn, één van de Westerbork Girls uit het Westerbork Cabaret. Liesel is er vaak tussen het publiek te vinden (‘Ik kwam altijd wel binnen.’ ) en heeft mooie herinneringen aan het liedje ‘Ich hab’ heut’ Nacht die Sterne erzahlt. Ich liebe dich’. Vriendschappen en liefdes. Ze zijn er veel. Liesel blijkt een begerenswaardige jonge vrouw, zoals uit het interview van 2012 blijkt. Door de kampomstandigheden staan vriendschappen en liefdes onder hoge druk en zijn door de transporten ook kort. Van dichtbij maakt ze mee hoe Hannelore door haar verloofde – de later bekende acteur – Rob de Vries, verkleed als spoorwegman, uit het kamp wordt gesmokkeld. Ze kent De Vries van pingpongen op zondagmiddag in de Jekerstraatschool. Als door de kampleiding gedreigd wordt Hans Eisinger, op dat moment Hannelores geliefde, als vergelding op straftransport te zetten, keert ze vrijwillig naar Westerbork terug.

Arbeitskarte Liesel.

Ook is Liesel bevriend met tekenaar Leo Kok en diens vriendin Kitty de Wijze die verpleegster is. Ze gaat er vaak heen om gezamenlijk te eten. Tijdens een van die bezoekjes is door Leo die veel van het kampleven in tekeningen op papier heeft vastgelegd ook het portret van haar gemaakt. Volgens eigen zeggen duurde het haar destijds te lang en zei ze hem: ‘Schiet eens op. Ik heb het wel gehad met je.’ Waarop hij gezegd zou hebben: ‘Je hebt van die mooie Joodse ogen, hahaha!’ Liesel in 2012: ‘Dat kon ik niet uitstaan als hij dat zei!’

Als onderdeel van het gezin Heynemann maakt Liesel in het kamp deel uit van de Duits-Joodse elite die in het dagelijks leven een grote rol speelt. Dat is misschien de verklaring voor de zinsnede uit het in het Duits geschreven dagboek van Hans Bial waarin hij schrijft: ‘Da kam die jeunesse dorée von Westerbork: Kurt Nathan, Bubi Hirsch und Lisl Heynemann.’ Het is een typering van een vriendenclub door de wat oudere Bial, waarbij jeunesse dorée staat voor verwende rijkeluiskinderen. Waarschijnlijk is de genoemde Bubi het vriendje van Liesel uit die tijd, Werner Hirsch, waaraan ze een kleine zeventig jaar later nog liefdevol terugdenkt. Als ze zijn foto toont: ‘Kijk dat is hij… Een schatje, een hele lieverd… Hij was ordonnans…Op zondag gingen we meestal naar zijn barak. Dan gingen we op bed liggen. We deden niets. We waren zo moe. We vielen meteen in slaap. En ik weet nog dat mijn vader een keertje kwam kijken. Die dacht wat doet mijn dochter? Maar die dochter deed niets. Die dochter was alleen maar moe. Die sliep alleen maar.’

Werner geeft Liesel voor haar 17e verjaardag in ’43, een mooi verpakt stukje zeep en een zelfgeschreven gedicht. Het gedicht is geïllustreerd met tekeningetjes van Leo Kok, waaronder een hartje tussen een armband van de Ordonnansdienst en van de Fliegende Kolonne.

Tekening voor Liesels verjaardag.

De tekst is aandoenlijk, met als strekking: ‘Bleib so sauber wie Du bist!’
Het gedicht eindigt met:
‘… Denk’ zurueck an diese Ziet hier -
An die Stunden, die verbrachten -
An Minuten, die zu zweit wir -
Denk wie gerne wir dann lachten! -
Liesel, ich bin nun am Ende, Bitt’Dich, bleib nur weiter lieb -
Gratulierend reich’ ich Dir die Haende -
Als einer, der dies gerne fuer Dich schrieb!’
Ondertekend met: Werner Hirsch

Liesel maakt de bevrijding van het kamp mee. Ze heeft dat volgens eigen zeggen samen met Hannelore en de Canadese militairen gevierd. En gedronken! ‘Kotsmisselijk!’ Redelijk ontzet vertelt ze later dat de Canadezen met de toen geïnterneerde NSB-meisjes naar bed gingen.

Bij Koninklijk Besluit van 04.11.48 verkrijgt ze het Nederlanderschap, al voor de oorlog aangevraagd door haar vader. ‘Verzoekers hebben voor intrede der meerderjarigheid verzoek tot naturalisatie ingediend. Het is billijk voornoemde kinderen alsnog bij uitdrukkelijke wetsbepaling te naturaliseren.’ Zo wordt Liesel (‘studente, wonende te Amsterdam’) net voor haar 22e verjaardag Nederlandse.

In 1951 trouwt ze op 12 februari in Utrecht met Stefan Reichsthaler. Deze is de oorlog op de Veluwe doorgekomen onder de naam Henk Smit.

Stefan Reichstaler overlijdt op 13.07.1984 en blijkt dan Commissaris te zijn bij Pento Cosmetics B.V. , het bedrijf dat zijn schoonvader ooit heeft opgericht, en General Cosmetics B.V. Hij ligt begraven begraven in Muiderberg.

Na het overlijden van haar man heeft Liesel Reichthaler-Heynemann een aantal jaren in San Francisco gewoond bij een van haar dochters (Maud en Jacqueline). Ze is inmiddels naar Nederland teruggekeerd.