Lion Brommet

Marieke Jager en Bo de Wijk, Havo 4-leerlingen van het Ubbo Emmius uit Stadskanaal, maakten een bijzonder portret van Lion Brommet, een gemengd-gehuwde Joodse man die lange tijd onderduikers een veilig heenkomen bezorgde in zijn huis in Amsterdam-Zuid.

De Beethovenstraat in Amsterdam waar Lion in zijn woning onderduikers had.

Lion Brommet

Het was het jaar 1916. Op 22 juni stapten textielinkoper Lion Brommet en zijn geliefde, de niet-Joodse Grietje ten Wolde in het huwelijksbootje. Op 24 september 1917 werd hun eerste zoon geboren. Simon werd naar zijn opa van vaders kant vernoemd. Op 8 april 1920 kwam er een tweede zoon: Albert Johan, waarschijnlijk vernoemd naar zijn grootmoeder van moeders kant. De derde zoon werd Alfred genoemd. Het gezin verhuisde op 29 april 1927 van Groningen naar Hilversum. Later zijn zij van Hilversum naar Amsterdam verhuisd.

Het jaar 1939, de Tweede Wereldoorlog begon. Nederland dacht wederom neutraal te blijven, maar werd in mei 1940 toch bezet door de Duitsers. Langzaam maar zeker begon het antisemitisme te groeien en begonnen Joden zich steeds minder veilig te voelen door alle ingevoerde maatregelen. Naast de vele Joden die zich melden of opgepakt werden, besloten anderen onder te duiken, om aan de dreiging van deportatie te ontkomen.

Lion Brommet had ook Joodse onderduikers in zijn huis aan de Beethovenstraat 124 (tweehoog) in Amsterdam-Zuid. Dit was gevaarlijk vanwege de zware straffen die stonden op het helpen van Joden en opmerkelijk omdat Brommet zelf Joods was.

Lion Brommet had ook Joodse onderduikers in zijn appartement aan de Beethovenstraat 124 (tweehoog) in Amsterdam-Zuid. Dit was gevaarlijk vanwege de zware straffen die stonden op het helpen van Joden en opmerkelijk omdat Brommet zelf Joods was.

Voor een lange tijd ging het goed, maar uiteindelijk werd ook Brommet opgepakt door de nazi’s. Dit gebeurde op 28 april 1944. Hij werd thuis opgehaald en naar de Euterpestraat gebracht om vervolgens in de gevangenis aan de Weteringschans te Amsterdam terecht te komen. Genoteerd staat dat hij wordt beschuldigd van ‘hulpverlening aan Joden’.

Op 26 mei 1944 werd Lion Brommet vanuit de gevangenis naar kamp Westerbork gestuurd waar hij in strafbarak 67 werd ondergebracht. Op 30 mei verzocht hij om terugstelling van transport vanwege zijn gemengde huwelijk met drie zonen, zo valt te lezen op zijn bewaard gebleven registratiepapieren. De bewijsstukken voor dit verzoek werden op 6 juni overhandigd. Uiteindelijk werd er op 31 augustus besloten dat Brommet tot 31 december 1944 in de strafbarak moest blijven en daarna voor arbeidsinzet in het kamp zou worden ingezet. Op 5 september, na het laatste transport, werd hij alsnog overgeplaatst van de strafbarak naar een gewone barak (nummer 21).

Op 5 maart 1945, ruim een maand voor de bevrijding, werd Lion Brommet vanwege zijn gemengde huwelijk en omdat hij niet langer ‘geschikt werd geacht voor zware arbeid’ voortijdig uit kamp Westerbork ontslagen, en mocht hij terug naar Amsterdam waar zijn geliefde vrouw en kinderen op hem wachtten.