Lore Pintus

Lore Pintus (1921) dook samen met haar ouders tijdens de Tweede Wereldoorlog onder. Ze werd verraden, opgepakt en naar kamp Westerbork gebracht. Terwijl haar ouders werden doorgevoerd kon Lore tot de bevrijding in het kamp achterblijven.

Via de waterzuivering van kamp Westerbork werden gevangenen het kamp uit gesmokkeld.

Lore Pintus

‘Het was niet gemakkelijk om in de onderduik te moeten leven. We woonden in volledige isolatie. Buiten was het zomer, maar binnen was altijd winter. Het was er altijd koud. Er was wel een raam maar daar mocht ik met mijn donkere uiterlijk niet doorheen kijken. Ik hoorde kinderen buiten spelen of naar school lopen, terwijl wij opgesloten zaten in onze privé gevangenis. Elke keer als de deurbel ging vlogen de zenuwen door ons lijf. We zaten constant op elkaars lip.’

In 1987, twee jaar voor haar overlijden, stelde de Israëlische kunstenares Lore Pintus een boek samen met herinneringen aan haar onderduiktijd in Nederland. Het waren herinneringen aan ‘een wereld die niet meer bestond’, zoals het Pintus het uitdrukte, opgeschreven in een boek dat de titel “Heini” meekreeg. Een verwijzing naar haar in 1941 in Mauthausen vermoorde tweelingbroer Heinz Pintus.

Voor de Tweede Wereldoorlog woonde Lore met haar broer en ouders Lise en Erich Pintus in een grote villa in een buitenwijk van Berlijn. Erich Pintus was bestuurder van een bedrijf dat in olie handelde en dat tot de top van Duitsland behoorde. ‘Mijn vader was zeer rijk’, zo verklaarde Lore eind jaren tachtig tegen een Israëlische krant. ‘We groeiden op in enorme luxe. We hadden wel veertien kamers in ons huis, een auto en een chauffeur. Overdadige feesten waren aan de orde van de dag.’

Midden in de nacht maakten mijn ouders ons wakker. Ieder van ons had één koffer en daar gingen we. Toen we grens overstaken, barstte mijn moeder in huilen uit. Ze besefte dat ze nooit meer in Duitsland zou terugkomen.

Vanwege het toenemende antisemitisme kreeg de familie Pintus het in de jaren dertig in Duitsland steeds moeilijker. Nadat haar buurmeisjes niet meer met Lore wilden spelen omdat zij Joods was, en vader uit zijn functie dreigde ontzet te worden, besloten Erich en Lise met hun kinderen naar Nederland te vertrekken. In 1936 kwam de familie Pintus in Amsterdam aan waar ze een bestaan probeerden op te bouwen. ‘Midden in de nacht maakten mijn ouders ons wakker. Ieder van ons had één koffer en daar gingen we. Toen we grens overstaken, barstte mijn moeder in huilen uit. Ze besefte dat ze nooit meer in Duitsland zou terugkomen.’

In mei 1940 was Lore aan het werk op een kinderdagverblijf toen de nazi’s Nederland binnenvielen. Het wegvoeren en vermoorden van Heinz in 1941 en de toenemende spanningen in de Nederlandse hoofdstad, zorgden er in juni 1942 voor dat Lore en haar ouders op zoek gingen naar een onderduikplek. Met hulp van de bekende verzetsman en dominee Leendert Overduin werd een veilig heenkomen gevonden in een Amsterdamse katholieke kerk. Hier begon Lore met het vervalsen van papieren voor het verzet. Ook schreef ze in de kerk haar dagboek, dat na haar wegvoering onder het altaar werd verborgen.

Erich, Lise en Lore Pintus werden in de zomer van 1944 op hun onderduikplek verraden en via de gevangenis naar kamp Westerbork gebracht. In tegenstelling tot haar ouders die in september 1944 naar Theresienstadt werden gedeporteerd, kon Lore tot de bevrijding in kamp Westerbork achterblijven. Ze sloot een innige vriendschap met een niet-Joodse man, Matthijs Terveart (1915), en de Joods-Duitse vluchteling Gert Laske, die op dat moment al ruim twee jaar in Westerbork verbleef. Via Gert kwam ze in contact met de Joodse verzetsgroep die in het kamp actief was en waarvoor Lore haar werk als vervalser voortzette.

Kort na de bevrijding van kamp Westerbork vertrok Lore naar Amsterdam. In de zomer van 1946 emigreerde de 25-jarige Lore Pintus vervolgens naar Palestina.