Manus Pront

Manus Pront (1895) raakt betrokken bij één van de meest schrikbarende episodes uit de oorlogsgeschiedenis van kamp Westerbork, als hij zich met een collega op 12 oktober 1944 bij het crematorium moet melden.

Het crematorium van kamp Westerbork.

Manus Pront

Voor de Tweede Wereldoorlog werkt koopman Manus Pront lange tijd bij een Amsterdamse handelsonderneming in kleden. Vanwege zijn Joodse afkomst verliest hij in 1941 zijn baan en wordt hij op 26 mei 1943 overgebracht naar kamp Westerbork. Hier krijgt Pront, als gemengd gehuwde Jood, de keuze: sterilisatie of deportatie. Emanuel kiest voor het eerste en wordt na negen weken weer vrijgelaten.

Mijn man zag een grote hoop lijken op de grond liggen. Het waren verzetsstrijders die ze hadden opgepakt. Hij moest toen samen met twee andere aanwezige kampgevangenen de lijken verbranden.

Als de nazi’s in de lente van 1944 ook de gemengd gehuwde Joden oppakken, komt Pront voor de tweede keer in kamp Westerbork terecht. Vanaf september is hij met medegevangene Selfried Fuchs verantwoordelijk voor het kampcrematorium. Het is om deze functie dat hij in oktober 1944, op een vroege ochtend, van zijn bed wordt gelicht. De vrouw van Selfried herinnert zich deze morgen.

Lea Fuchs-van Leeven:

‘In oktober 1944 werden we ’s morgens vroeg wakker doordat er werd geschoten. We wisten niet precies wat het was, we hoorden geweerschoten en geschreeuw. Het was ‘s morgens om een uur of zes. Mijn man wilde kijken wat er was gebeurd. De plaats des onheils was weliswaar buiten het kamp, maar hij deed net of hij naar de tuinen ging om te werken. Toen hij bij de wachtpost arriveerde, kwamen er soldaten op hem af die zeiden dat hij naar het crematorium moest gaan. Mijn man vermoedde dat het met ons was afgelopen. Hij dacht de Duitsers misschien wel alle kampgevangenen zouden laten doodschieten. Selfried wist niet beter of hij zou bij het crematorium worden neergeschoten.

Toen hij bij het crematorium aankwam, stonden er nog twee mannen, Ies van Thijn en Manus Pront. De omgeving van het crematorium werd heel zwaar bewaakt door SS’ers. Mijn man zag een grote hoop lijken op de grond liggen. Het waren verzetsstrijders die ze hadden opgepakt. Hij moest toen samen met twee andere aanwezige kampgevangenen de lijken verbranden. Nou is het crematorium in Westerbork slechts een klein crematorium waar maar één persoon tegelijk in kon worden verbrand. ’s Nachts mocht dat niet gebeuren omdat dan de gloed uit de schoorsteen zichtbaar was. De Duitsers waren bang dat de Engelse vliegers op die wijze het kamp zouden ontdekken. Selfried en de twee andere mannen hebben echter langzaam gewerkt, zodat het toch donker werd en de gloed uit de schoorsteen dus zichtbaar werd.

Bovendien hebben ze van iedereen die daar doodgeschoten en verbrand is een of ander persoonlijk voorwerp genomen, een stukje van een hemd of een deel van een broek, een bril of een kunstgebit. Die spullen stopten ze in een doos en verborgen het in het bos. Op de achterkant van de deurpost van het crematorium, een plek waar het niemand opviel, hebben ze elke keer de datum en het aantal mensen dat ze moesten verbranden ingekrast. Na de oorlog kon de Nederlandse overheid hierdoor bijna alle mensen identificeren.’

Manus Pront, die kamp Westerbork in juni 1945 verlaat, overlijdt op 6 oktober 1954 in Amsterdam.