Mark Hart & Bram van der Sluis

Slechts tweehonderd mensen probeerden tijdens de oorlog te ontsnappen uit kamp Westerbork. De laatste poging vond vlak voor de bevrijding plaats. Een reconstructie.

Een wachttoren in kamp Westerbork.

Mark Hart & Bram van der Sluis

Kamp Westerbork kende tijdens de Tweede Wereldoorlog verzet. Verzet in verschillende vormen. De meest vergaande was vluchten uit het kamp. Dit was een ingrijpende beslissing, niet alleen voor de ontvluchtte. Hij of zij moest over een flink dosis moed en vindingrijkheid beschikken en vaak familieleden en vrienden achterlaten. De kampleiding probeerde uiteraard elke poging tot ontsnapping te verijdelen. Maar prikkeldraadomheining, wachttorens en bewaking waren niet afdoende. Represaillemaatregelen tegenover familieleden en mede-barakbewoners hadden meer afschrikeffect. Gevangenen die aan ontvluchten dachten, kwamen daardoor voor een groot dilemma te staan. Deze maatregelen waren vaak groter dan vragen over hoe te ontvluchten of waar onderduik te vinden.

Via slootjes, weggetjes, hooibergen en weet ik niet allemaal wat zijn we door Drenthe getrokken, tot we op een gegeven moment, toen we tegen de kant van de sloot aanlagen, voertuigen hoorden aankomen. In eerste instantie zat de schrik erin: wie weet zijn de Duitsers op zoek naar ons.

Tot één van de laatste ontsnappingspogingen uit kamp Westerbork, behoorde die van Bob Zadok Blok, Bram van der Sluis (1913) en Mark Hart (1917). Bob Zadok Blok was de spil van de ontvluchting. Hij was 22 februari 1945 met Bram van der Sluis, een violist uit het Rotterdams Kamerorkest, in Westerbork terecht gekomen. Beiden waren verraden op hun onderduikadres in de buurt van Almelo. In het kamp trof Bob Mark Hart, een goede vriend van de padvinderij in Den Haag. Samen bespraken ze de mogelijkheid om uit Westerbork te ontsnappen. Toen Bob op één van de laatste dagen voor de bevrijding constateerde dat de bewaking verdwenen was, besloten de drie het plan in werking te stellen. Bob Zadok Blok:

‘We hebben ons heel snel omgekleed en zijn als de sodemieter naar de slagbomen gelopen. En ik wist dat het levensgevaarlijk was, ook voor de bewoners van het kamp zelf. Als je ontvluchtte en men kwam dat te weten, dan kon dat voor de rest tot problemen leiden. Die konden dan zelfs gefusilleerd worden, zo waren de geruchten. Maar op dat moment gaat er niets anders door je hoofd dan alleen jij. Jij bent degene om wie het gaat. Ik werd nog tegengehouden, dat vond ik nog het ergste van alles, want Mark Hart en Bram van der Sluis liepen de slagbomen al voorbij. En toen kwam er iemand van de Joodse kamppolitie en die wilde mij tegenhouden. Ik gaf hem een klap en ging er vandoor, zo snel als ik kon, weg van Westerbork. Zo ver mogelijk.’

‘Via slootjes, weggetjes, hooibergen en weet ik niet allemaal wat zijn we door Drenthe getrokken, tot we op een gegeven moment, toen we tegen de kant van de sloot aanlagen, voertuigen hoorden aankomen. In eerste instantie zat de schrik erin: wie weet zijn de Duitsers op zoek naar ons. Maar toen de voertuigen dichterbij kwamen zagen we geen hakenkruisen op de vrachtwagens, maar de bekende sterren van de geallieerden. Toen zijn we de sloot uit gekropen, van de walkant af. Kletsnat gingen we op de weg staan. De chauffeur van de wagen, of beter gezegd: de eerste man die het commando had, stopte en stapte uit zijn cabine. Hij vroeg, in het Engels uiteraard: “Waar moeten jullie heen? Waar moeten jullie naartoe?” Toen vroeg ik aan Bram en Mark: “Waar willen we eigenlijk naartoe?” Onze conclusie luidde overal behalve naar het kamp terug. Naar het zuiden, richting Assen, richting Hoogeveen of waar dan ook. Toen zei de man die het commando voerde: “Wij gaan richting Westerbork”. Dat hebben we toen beleefd geweigerd met het argument dat we er net vandaan kwamen.  Die vrachtwagenchauffeur, die militair, ging vervolgens naar collega’s van hem en zei: “Ik heb hier drie gevangenen uit Westerbork en die moeten zo snel mogelijk hier vandaan. Wie kan ze meenemen?” De ene vrachtwagenchauffeur nam vervolgens Mark Hart mee naar Zwolle, Bram van der Sluis ging naar Duitsland en ik werd rechtstreeks overgebracht naar Almelo.’