Mary Löwenkopf

Zonder ouders te moeten vluchten naar een onbekend land, van de ene naar de andere plek te worden verscheept door niet welwillende instanties, ternauwernood een concentratiekamp overleven. Het is het oorlogsrelaas van Mary Löwenkopf (1925), één van de kinderen van het eerste Nederlandse ‘kindertransport’.

Registratie in kamp Westerbork.

Mary Löwenkopf

Als tijdens de Kristallnacht van 9 op 10 november 1938 in Duitsland en Oostenrijk duizenden synagogen en bedrijven van Joden in brand worden gestoken en tienduizenden Joden op straat en in hun woning worden aangevallen, wordt op Nederlands initiatief begonnen met het organiseren van speciale kindertransporten. Bijna 10.000 kinderen krijgen tussen november 1938 en september 1939 de kans om zonder hun ouders uit hun geboorteland te vluchten, en komen veelal terecht in Groot-Brittannië en Nederland.

Op 11 december 1938 komt het eerste kindertransport uit Wenen per trein in ons land aan. Dames van het Haagsche en Rotterdamsche Vluchtelingencomité vergezellen de kinderen vanaf Nijmegen naar Hoek van Holland. Vijfhonderd kinderen reizen direct door naar Engeland. Voor Mary Löwenkopf en de overige honderd Joodse jongens en meisjes staan vier autobussen klaar die ze naar Den Haag brengen. In een ziekenhuis controleren artsen de gezondheid waarna Mary en de andere kinderen naar een leegstaande school in het centrum van Den Haag worden gebracht. Hier moeten ze enige weken in quarantaine verblijven.

In januari 1939 vinden de meeste kinderen onderdak in een zeventiende-eeuwse buitenplaats in Loosduinen. Voor Mary en haar medevluchters de start van een reis van het ene onderkomen naar het andere. Er blijkt bij de organisatie geen duidelijk plan te bestaan over wat men met de kinderen aan moet en ook de meeste overheidsinstanties en gemeenten staan niet te trappelen om de jonge vluchtelingen onderdak te verlenen.

Eind 1942 worden de bewoners van het Jongenshuis naar Westerbork gevoerd. Merkwaardig genoeg worden Mary en de andere kinderen ondergebracht in barak 66, wat dan als de strafbarak dienst doet.

De langste tijd verblijft Mary Löwenkopf in een villa aan de Amsterdamseweg in Arnhem, in de volksmond ook wel het ‘Jongenshuis’ genoemd. Dr. Siegfried Wolff, een keel-, neus- en oorarts uit Berlijn, die er met een aantal jonge vluchtelingen uit het gebombardeerde Rotterdam is terechtgekomen, is de directeur. Mary woont er met ongeveer 80 huisgenoten. De villa ligt hoog gesitueerd achter het station, en er is een mooie tuin.

Eind 1942 worden de bewoners van het Jongenshuis naar Westerbork gevoerd. Merkwaardig genoeg worden Mary en de andere kinderen ondergebracht in barak 66, die dan als de strafbarak dienst doet. Als na een paar dagen de meeste barakbewoners – inclusief de kinderen – naar het Oosten worden weggevoerd, blijft Mary vrijwel alleen achter. Een belangrijk lid van de registratie weet haar van transport te vrijwaren en bezorgt haar een baantje in het ziekenhuis.

Mary kan uiteindelijk vanwege de status van haar vader gedurende de rest van de oorlog in kamp Westerbork blijven. Vader Löwenkopf bevindt zich sinds de jaren dertig in de Dominicaanse Republiek, waardoor Mary door de nazi’s als waardevol – lees: een mogelijk uit te ruilen gevangene – wordt beschouwd en van transport wordt vrijgesteld.

Na de Tweede Wereldoorlog vertrekt Mary Löwenkopf naar de Verenigde Staten waar zij op 25 augustus 1973 overlijdt.