Matthijs Roodenburg

Matthijs Roodenburg (1909) verlaat medio april 1945 zonder toestemming het bevrijde kamp Westerbork. Bij zijn vertrek weet hij twee bijzondere voorwerpen mee te nemen: de laarzen van de kampcommandant, Albert Konrad Gemmeker. Zijn zoon verteld.

Gemmeker met bewakers in kamp Westerbork bij de gereedstaande trein, 1944.

Matthijs Roodenburg

‘Mijn vader was voor de oorlog bloemenverkoper in Amsterdam. Als Jood werd het hem vanaf 1942 verboden om zijn vak uit te oefenen. Om ons toch te kunnen onderhouden, is hij als zwarthandelaar sigaretten gaan verkopen. In juni 1944 is hij vanwege deze zwarthandel opgepakt. Toen de Duitsers erachter kwamen dat hij Joods was, hebben ze hem direct naar Westerbork overgebracht.

Na de oorlog heeft vader altijd gezegd dat het leven in Westerbork voor hem niet slecht was. Je moest je er gewoon aan de regels houden. Hij werkte in het ketelhuis als stoker en heeft in het kamp ook opgetreden bij de revue. Hij was tamelijk populair, maakte er zelf zijn liedjes. Daar had vader goede herinneringen aan: al dat publiek dat daar voor hem klapte in die Grote Zaal. Op de eerste rij allemaal Duitsers met in de belangrijkste stoel de kampcommandant, Albert Gemmeker.

Het afschuwelijkste vond hij de treinen die uit het kamp vertrokken. Ze wisten waar ze naar toegingen, het Oosten, maar wat daar gebeurde was niet helemaal duidelijk. Vader had wel het vermoeden dat als je daar eenmaal zat het met je afgelopen was. Hij was erg bang om op transport te gaan, wat gelukkig nooit gebeurd is.

Moeder heeft het als niet-Joodse Duitse, getrouwd met een Jood zwaar gehad. Bij de Duitse instanties werd ze uitgescholden voor “Jodenhoer”, de meeste Nederlanders waren bang voor haar vanwege haar Duitse accent. Toen vader in kamp Westerbork gevangen zat, is ze met ons naar Aus der Fünten gegaan. Die zat toen in Velp. Ze wilde vragen of hij kon regelen dat vader vrij zou komen, maar voordat ze een vraag kon stellen zei Aus der Fünten, wijzend op mij: “Hu, Ein Judenkind. Kan man sehen.” Uit angst voor mijn welzijn is ze toen maar direct vertrokken.

De betreffende boer heeft hij daarbij een beetje voor de gek gehouden. Op het moment dat de boer de laarzen aanpaste, zag vader tot zijn schrik, dat hij twee linker laarzen had meegenomen.

Vrij kort na de bevrijding is vader zonder toestemming uit het kamp weggegaan. Hij heeft toen de laarzen van Gemmeker meegenomen, die had hij uit het huis gestolen. Bij een boer in de buurt heeft hij de laarzen geruild. De betreffende boer heeft hij daarbij een beetje voor de gek gehouden. Op het moment dat de boer de laarzen aanpaste, zag vader tot zijn schrik, dat hij twee linker laarzen had meegenomen. Op de reactie van de boer dat de laarzen wat vreemd zaten heeft vader toen maar geantwoord dat dit best mogelijk was.
Het waren immers geen Nederlandse, maar Duitse laarzen.

Een paar dagen later stond vader met meerdere zakken meel bij ons op de stoep wat na de hongerwinter, tot een dubbele ontlading leidde.’