Maurits Barnstijn, Ephraim van Simmeren, Benjamin & Bendix van Dam

Een indringende getuigenis van Maurits Barnstijn (1910) over zijn tijd met drie andere Groningse Joden in barak 51, de gevangenis van kamp Westerbork.

Barak 51, de gevangenis van kamp Westerbork

Maurits Barnstijn, Ephraim van Simmeren, Benjamin & Bendix van Dam

‘Vanaf het einde van de maand september 1944 tot de bevrijding ben ik geïnterneerd geweest in het kamp Westerbork. Naar aanleiding van het vluchten van twee geïnterneerden uit onze barak, ben ik met zeven andere personen, waaronder Ephraim van Simmeren (1910) en Benjamin van Dam (1906) naar de strafbarak overgebracht als represaillemaatregel.

Enige tijd later ben ik met Van Simmeren, Benjamin van Dam en vijf personen uit het vrije kamp waaronder Bendix van Dam (1906), in verband met het uit het kamp smokkelen van brieven geplaatst in de cellen van barak 51. Lemke, een Duitse bewaker, was voor deze barak verantwoordelijk en belast met onze verzorging.
Tijdens ons afgenomen verhoren is één van de overige gevangenen door Lemke mishandeld.

Met de eerste groep met personen en Bendix van Dam heb ik ongeveer zeventien of achttien dagen in één cel doorgebracht. De anderen zijn na drie of vier dagen te hebben vastgezeten weer in vrijheid gesteld. Enkele dagen voor de bevrijding zijn wij vieren uit de cel gelaten.

Eén keer is het gebeurd dat Lemke ons gedetineerden 24 uur geen eten of drinken heeft gebracht en het is gebeurd dat hij ons 72 uur geen eten of drinken bracht. Wij werden in die periode niet gelucht of kwamen de cel niet uit.

In de cel waarin wij waren opgesloten, was geen verwarming aanwezig, evenmin een ton om je behoefte te doen. Per dag kregen wij ieder een stuk brood, waaruit vier dunne sneetjes konden worden gesneden, alsmede gezamenlijk een kleine hoeveelheid drinkwater. Wij allen waren gekleed in overall en aangezien er geen dekens aanwezig waren, hebben wij het in de cel koud gehad.

Eén keer is het gebeurd dat Lemke ons gedetineerden 24 uur geen eten of drinken heeft gebracht en het is gebeurd dat hij ons 72 uur geen eten of drinken bracht. Wij werden in die periode niet gelucht of kwamen de cel niet uit.

Gedurende zeventien dagen ben ik één keer in de gelegenheid gesteld mijn behoefte te doen. In de cel waren geen toiletten aanwezig om onze behoefte te doen. Wij urineerden in een klomp en gooiden de inhoud daarna tussen de tralies door naar buiten.’