Max de Jong

Op 30 juli 1942 begon de deportatie van de Rotterdamse Joden naar kamp Westerbork. Max de Jong (1893) behoorde tot de eerste groep met mensen die werd weggevoerd. In tegenstelling tot de meeste andere Joden uit Rotterdam wist Max de oorlog te overleven.

Loods 24.

Max de Jong

‘Vanaf Westerbork gaan we met een goederentrein naar onbekende bestemming. Waarheen? Waarheen? Zo gaat het over ieders tong. De mensen zijn radeloos, redeloos en moedeloos.’

Frederik Davids meldde zich op 30 juli 1942 in een loods gelegen aan het Entrepot, de huidige Kop van Zuid in de Rotterdamse binnenstad, op een afgelegen terrein aan het havenemplacement. Tweeduizend mensen waren er die dag opgeroepen, ruim 1.100 hadden net als Freddy besloten te komen. In loods nummer 24 schreef Freddy Davids een brief aan vrienden. Hij vertelde hoe de dag was verlopen, over wat hij had meegemaakt. Hij schreef daarnaast over zijn eigen gemoedstoestand en die van de vele andere mensen in de loods, over de bedruktheid die hij op hun gezichten kon waarnemen. Vrouwen en kleine kinderen; jonge en oudere mannen.

Over mannen zoals Max de Jong. Een 48-jarige ambtenaar van PTT, sinds tien jaar getrouwd met Johanna Both. Of over Coby Frank, een 24-jarige meubel- en interieurontwerper die zich in de loods wist te verbergen voor de SD. Coby overleefde de oorlog en schreef later over wat hem en de andere wachtende mensen die nacht overkomen was.

‘Het werd donker. De schelle lichten gingen aan. Beschenen het midden van de loods. De soldaten op de donkere achtergrond. Toen het gepiep van remmen. Een auto stopte bij de open deuren. De Gestapo-chef Simon steeg uit, vergezeld van twee SS-officieren. Ze traden binnen. Luide bevelen aan de soldaten. Die dreven de mensen bijeen onder het felle licht. Kinderen zochten hun ouders. Die riepen hun namen. Er werd met geweerkolven geslagen, getrapt. Het moest snel gaan. Jonge joodse mannen gebruikten hun vuisten tegen de drijvers. Een vrouw met vrijstelling protesteerde bij Sturmführer Simon. Ze sloeg hem. Hij verscheurde het papier, greep de lange haren en smeet de vrouw tussen de vechtende menigte. Een pandemonium was losgebroken, men werd letterlijk de loods uitgetrapt en naar de wagons gedrukt.’

Terwijl Coby Frank aan deportatie ontsnapte, vertrokken Freddy Davids en Max de Jong met de trein naar Drenthe. Freddy werd net als de meeste anderen al snel weer doorgestuurd, naar Auschwitz-Birkenau, waar hij direct na aankomst werd vermoord. Max de Jong mocht in Westerbork achterblijven. Hij was tewerkgesteld bij de ploeg die de spoorlijn van Hooghalen naar het kamp moest aanleggen. In de loop der tijd wist Max een goede positie bij de buitendienst op te bouwen. Hij bezat een sterke Sperre, zoals dat door de gevangenen genoemd werd, en hoefde niet te vertrekken.

Een pandemonium was losgebroken, men werd letterlijk de loods uitgetrapt en naar de wagons gedrukt.

In februari 1945 bevond Max de Jong zich nog steeds in kamp Westerbork toen hij door de bewaking werd opgepakt. Inmiddels werkzaam als schoonmaker in het Casino (SD-kantine) en de woningen buiten het kamp, werd hem ‘vermeende ophitsing van de Wehrmacht’ ten laste gelegd. Max kreeg twintig dagen celstraf en kwam in barak 51, de gevangenis, terecht, waar hij door commandant Gemmeker werd verhoord. ‘Door de behandeling in de cel ben ik vier dagen zwaar ziek geweest en heb ik gedurende vier weken niet goed kunnen lopen, aangezien mijn benen opgezwollen waren’, zo zou Max na de oorlog aan de recherche in Assen over deze periode getuigen.

Ook Gemmeker getuigde tijdens zijn proces over het voorval met Max de Jong:
‘Op 10 februari 1945, heb ik de Jood De Jong, op mijn bureau ter verantwoording geroepen. Er was een aanklacht tegen hem binnengekomen van de in het kamp Westerbork gelegerde Zollgrenzschütz. Ik meende me te herinneren, dat De Jong al eens eerder iets gedaan had, waarvoor ik hem heb gewaarschuwd. In ieder geval heb ik hem voor deze aangelegenheid met celstraf gestraft. Vermoedelijk op het tijdstip, dat hij ingesloten zou worden, vond bewaker Lemke een papier waarop de Engelse berichten vermeld stonden. Bij huiszoeking in zijn kamers vonden we een bloc papier, van dezelfde soort, als dat, wat gevonden was. Hierover heb ik De Jong herhaaldelijk verhoord, docht hij bleef ontkennen. Geslagen is hij, in mijn bijzijn zeker niet. Van deze verhoren is een bericht naar de Befehlshaber der Sicherheitspolizei, Dr. Schöngarth gegaan. Enige dagen later kwam hierop bericht terug dat De Jong ter dood veroordeeld was. Gelukkig voor hem, kwam de volgende dag de Befehlshaber in het kamp. Met deze heb ik over de zaak De Jong gesproken en mijn oordeel geuit, dat er eigenlijk niet genoeg bewijs was om hem ter dood te doen brengen. Na veel praten heb ik de Befehlshaber kunnen bewegen, de straf te veranderen in 5 jaar arbeid, in de strafbarak te Westerbork. Bij goed gedrag zou dit vonnis mogelijk verzacht of bekort kunnen worden.’

Kort voor de bevrijding werd Max vrijgelaten. Na de bevrijding werd hij aangesteld bij de kamppolitie, de opvolger van de Joodse Ordedienst.

Op 20 juli 1945 verliet Max de Jong, als één van de laatste voormalige gevangenen, kamp Westerbork.