Max Wolff

Max Wolff werd met zijn vrouw Anne en zoontje Ariel vanuit de Hollandsche Schouwburg naar kamp Vught overgebracht. Begin juni 1943 werden Anne en Ariel via kamp Westerbork naar Sobibor gedeporteerd. Zij overleefden de oorlog niet, Max Wolff deed dit wel. In maart 1944 belande hij in Westerbork waar hij de bevrijding wist mee te maken. Een portret, samengesteld met hulp van Anthony Bleuming en Victor Gelling van de Ubbo Emmius Scholengemeenschap in Stadskanaal.

Een vertrekkend transport uit kamp Westerbork, 1943.

Max Wolff

‘Onze ogen en oren konden we niet geloven. En toch moesten we het aannemen. Alles, wat er gebeurde drong niet meer tot ons door. Het was ook werkelijk niet meer te omvatten. Waar in de wereld was ooit iets dergelijks gebeurd? […] Op weg naar het kinderkamp zag ik vreselijke tonelen. Vrouwen gilden van angst en ontzetting. Ze schreeuwden als bezetenen en wisten waarlijk niet meer wat ze zeiden. In het kinderkamp was het een hel. Een ontzettende stank kwam me tegemoet en ik had moeite om niet te braken. Kleine kindertjes kropen door het zand en huilden, om medelijden mee te krijgen […] Vaders bestormden het kinderkamp om bij hun vrouwen en kinderen te willen zijn. Mannen lagen voorover op tafel en snikten het uit. Snikten als kleine kinderen omdat ze machteloos waren tegen dat wat hen werd aangedaan. Er viel niet te troosten.’

Het zijn misschien deze, in haar dagboek geschreven woorden van Klaartje de Zwarte-Walvisch die de stemming in kamp Vught op 5 juni 1943 onder de Joodse gevangenen het beste weergeven. Op 16 januari 1943, drie dagen na de ingebruikname van het kamp, arriveerden de eerste 450 Joodse gevangenen in Vught. Aanvankelijk was het de bedoeling dat alleen geschoolde Joodse vakarbeiders, zoals diamantbewerkers en textielwerkers, met hun families werden overgebracht naar het kamp. Maar al snel werd er geen onderscheid meer gemaakt en kwamen er telkens weer nieuwe transporten: volwassen mannen en vrouwen, maar ook veel ouderen en kleine kinderen.

Begin juni 1943 bevonden zich duizenden Joden in kamp Vught. Er was sprake van een enorme overbevolking en een hoog sterftecijfer. Te hoog, zo luidde de constatering van de nazileiding, voor een ‘modelkamp’ als Vught. Hun oplossing was even drastisch als hij onverwacht kwam: alle kinderen tot zestien jaar zouden worden overgebracht naar een ‘speciaal kinderkamp’ in Nederland. Eén van beide ouders zou de kinderen mogen begeleiden en kon vervolgens terugkeren naar kamp Vught.

Tot de vertrekkende kinderen behoorde de 7-jarige Ariel Wolff (1935). Ariel was met zijn ouders Max Wolff (1900) en Anne Wolff-Cohn (1894) aan het einde van de jaren dertig uit Keulen naar Nederland gevlucht. In februari 1941 leefde het gezin in een appartement in de Rubensstraat in Amsterdam, samen met de grootouders van Ariel, Hermann Wolff (1870) en Sophie Wolff-Bier (1875).

Vanwege de baan van vader Max was het gezin Wolff van overbrenging naar Westerbork vrijgesteld. Max Wolff werkte bij de firma Oxyde, een dochteronderneming van het Duitse bedrijf M. Lissauer & Cie, dat in ertsen en metalen handelde. Directeur Lissauer en zijn compagnon Griessmann waren Joods, evenals de overgrote meerderheid van de medewerkers van de dochteronderneming in Amsterdam. Oxyde werd tijdens de oorlog ‘geariseerd’ onder de naam Possehl-Oxyde. Begin 1943 werkten er nog zo’n twintig personen – die vanwege hun ervaring werden aangehouden – voor het bedrijf. Zij moesten onder toezicht van een ‘Verwalter’ werken, voornamelijk voor het Nederlandse Rijksbureau voor non-ferro metalen.

Eind maart 1943 bleken een aantal van de ‘Sperren’ (vrijstellingen) behorend aan de nog overgebleven medewerkers van Oxyde ‘geplatzt’ te zijn. Ariel en zijn ouders werden met een overvalwagen van hun woning aan de Rubensstraat naar de Hollandsche Schouwburg, één van de verzamelplekken voor Joden in Amsterdam gebracht. In de overvalwagen zat ook het gezin van 15-jarige Ellen Schwarzschild (1927), wiens vader een collega van Max Wolff was.

Wolff junior weigerde, hij wilde niet bij zijn ouders weg. Toen deze zacht bleven aandringen, barstte hij voor het eerst die nacht in tranen uit en snikte, dat hij alleen wilde gaan als ik naast hem kwam liggen. Ik mocht hem graag. Hij kwam af en toe met zijn ouders mee bij ons op bezoek en dan bemoeide ik mij meestal met hem. Ik vond hem lief, intelligent en een beetje tragisch met dat smalle bleke gezicht, de ietwat afstaande oren en de grote sprekende ogen. Zijn breekbaarheid en tranen beroerden mij nu.

‘Nadat wij geregistreerd waren, vond de rest van ons gezin een zitplaats in de zaal van de Schouwburg. Max Wolff bleek met vrouw en zoontje niet ver van ons vandaan te zitten. Wat later bracht één van de helpers van de Joodse Raad een matrasje, dat hij rechts van het podium op de grond legde. Hij nodigde de kleine Wolff, blijkbaar het jongste kind in de zaal, uit om te gaan liggen. Wolff junior weigerde, hij wilde niet bij zijn ouders weg. Toen deze zacht bleven aandringen, barstte hij voor het eerst die nacht in tranen uit en snikte, dat hij alleen wilde gaan als ik naast hem kwam liggen. Ik mocht hem graag. Hij kwam af en toe met zijn ouders mee bij ons op bezoek en dan bemoeide ik mij meestal met hem. Ik vond hem lief, intelligent en een beetje tragisch met dat smalle bleke gezicht, de ietwat afstaande oren en de grote sprekende ogen. Zijn breekbaarheid en tranen beroerden mij nu. Tegen mijn zin ging ik met hem mee – weg van mijn ouders – naar het beschikbare matras. Toch vond ik het eerst nog aangenaam om mijn benen te kunnen uitstrekken. Wolffie kroop dicht tegen mij aan en al gauw hoorde ik hem rustig ademhalen. Te rusteloos om ook in slaap te vallen wilde ik zo wel over hem waken. Maar na korte tijd voelde ik over mijn hele lichaam beesten kruipen en een onweerstaanbare jeuk. Het was niet om uit te houden. Zachtjes maakte ik mij van Wolffie los, kwam voorzichtig overeind en ging terug naar mijn familie.’

Na hun verblijf in de Hollandsche Schouwburg werd de familie Wolff naar kamp Vught gestuurd, waar zij zogezegd samen verbleven tot de rampzalige junidagen van 1943. De keuze voor de begeleidende ouder was in het geval van Ariel geen keuze: Max Wolff was vanwege zijn expertise nodig bij het ‘Kommando Altmaterial’, moeder Anne zou haar zoontje naar het ‘speciale kinderkamp’ begeleiden. Na het vertrek van zijn vrouw en zoontje, bleef Max nog maandenlang in kamp Vught achter. Wat er met zijn gezin was gebeurd bleef onduidelijk. Anne was niet teruggekomen, zoals beloofd door kampleiding. Waren zij en Ariel nog in Nederland? Überhaupt nog in leven?

Op 21 maart 1944 werd Max in een grote groep met andere Joodse gevangenen naar kamp Westerbork overgebracht. Daar werd het hem duidelijk dat Ariel en Anne ruim negen maanden tevoren naar het Oosten waren weggevoerd. Max zelf kwam in Westerbork in eerste instantie in één van de strafbarakken terecht. Van deportatie bleef hij voorlopig bespaard: in Westerbork had zich in 1944 een hele industriesector ontsponnen waarbinnen het sorteren en demonteren van metaal als een belangrijk onderdeel werd beschouwd. Ervaren werkkrachten als Max waren schaars en dergelijke krachten werden binnen het productieproces al snel als onmisbaar bestempeld.

Max Wolff bleef uiteindelijk tot de bevrijding van kamp Westerbork van transport gevrijwaard. Na de bevrijding van het kamp op 12 april diende hij nog enige maanden in Westerbork te blijven: als Duitse Jood was hij ten eerste jaren geleden stateloos geworden en ten tweede wilden de geallieerde bevrijders weten waarom juist deze ruim 850 Joden in het kamp waren achtergebleven terwijl de overgrote meerderheid was gedeporteerd. Hadden zij wellicht met de nazi’s samengewerkt?

Op 28 juni 1945 mocht Max kamp Westerbork verlaten. De kans is groot dat het hem inmiddels duidelijk was geworden wat er met de rest van zijn gezin was gebeurd. Max keerde terug naar Amsterdam waar hij overleed op 30 december 1960, enkele weken voor zijn 61ste verjaardag.

Anne Wolff-Cohn en Ariel Wolff werden bij aankomst in het vernietigingskamp Sobibor op 11 juni 1943 direct door de nazi’s om het leven gebracht. Ariels naam komt voor op het kunstwerk In Memoriam van Willem Volkersz, dat ter nagedachtenis aan de vermoorde leerlingen van de 1e Montessorischool in Amsterdam geplaatst is.