Meijer Elsas

Een bijzonder portret over Meijer Elsas (1902) samengesteld door zijn naaste familie. ‘De bevrijding in kamp Westerbork was de mooiste dag van zijn leven. Vader is er altijd emotioneel onder gebleven.’

Meijer Elsas.

Meijer Elsas

‘Toen onze vader Meijer Elsas geboren werd, was zijn vader diamantslijper. Hij groeide op in diepe armoede, er bestond nog niet zoiets als de WW. Zijn vader kon wel lezen, maar amper schrijven. Zijn moeder was analfabeet.

Toen Meijer ongeveer één jaar oud was, is het gezin naar de Zwanenburgstraat verhuisd, op de plek waar nu de Stopera staat. Er waren in het huis twee kamers en een alkoof. In de voorkamer zat men bijna nooit, alleen bij bijzondere visite. Op de eerste etage konden de ramen aan de achterkant niet open. Er was een uitbouw onder, waar de ratten overheen liepen. Het gezin woonde in de achterkamer. Er was een stukje afgescheiden, dit was de keuken. De WC was ook in de keuken, zonder waterspoeling. Verder stond er de bedstee van zijn ouders. Meijer sliep met zijn tante in het alkoof. De enige ledikant stond in de kamer van zijn zusjes. Later kwam er ook een ledikant in de voorkamer, daar heeft onze vader met zijn broer geslapen.

Meijers’ school stond op het Waterlooplein: een openbare school, maar 98% van de leerlingen was Joods. Het gezin was niet Joods godsdienstig, er waren alleen enkele rites. Met Sjabbes bijvoorbeeld was er een wit tafellaken en een mooi vloerkleed. Op vrijdagavond was er ander eten. Ze deden aan Joodse feestdagen. Er werd echter nooit gebeden of over God gesproken. Dat wil niet zeggen dat de familie zich niet Joods voelde. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de relatie met niet-Joden. Er was een instinctieve vrees, noem het afkeer voor Gojim. Zij beschouwen de Gojim niet bepaald als intelligent. De gedeelde mening was dat Joden elkaar beter begrepen. In de dagelijkse omgang werden veel Jiddische woorden gebruikt. Nu nog steeds eigenlijk. Daarbij was er een sterke vrees voor antisemitisme.

Op zijn twaalfde moest vader met school stoppen. Zijn vader was werkloos geworden. Met moeder moest Meijer met een gehuurde handwagen naar de fruitmarkt of de bananenloods. Zijn moeder kocht een stang bananen of peren. Vervolgens gingen ze naar de Ferdinand Bolstraat. Meijer moest dan roepen: “Bananen, 3 cent per stuk!”

De ouders en zussen van Meijer.

Toen hij wat ouder was ging vader regelmatig naar de universiteitsbibliotheek. Hij zat daar dan avond aan avond te lezen. Hij maakte zo kennis met bekende schrijvers en dichters. Hij raakte zo geïnspireerd dat hij zelf ook ging dichten.

Na diverse omzwervingen kwam Meijer bij de Bijenkorf in Amsterdam te werken. Toen het filiaal in Den Haag werd gebouwd, vroeg zijn directeur of hij daar chef calculatie wilde worden. Hij was intussen verloofd met Jet (Henriëtte) Hagenaar. Haar broer was een vriend van hem. Ze zijn vier jaar verloofd geweest. Toen is vader naar Den Haag gegaan om te werken. Een paar maanden later besloten vader en Jet te trouwen om bij elkaar te kunnen zijn. Ze zijn kerkelijk getrouwd, dat moest van haar ouders. Voor de receptie moest hij 300 gulden lenen van zijn schoonvader. Jet is daarna ook bij de Bijenkorf in Den Haag gaan werken.

Op 3 september 1939 zat vader op de boulevard bij Scheveningen. Het was een prachtige dag. Op het terras schalde een redevoering door de luidsprekers. De Engelse koning deelde mee dat Groot-Brittannië en Frankrijk de oorlog hadden verklaard aan Duitsland. “God zij dank!”, zei vader, denkend aan het verloop van de Eerste Wereldoorlog. Nadat de Duitsers in mei 1940 Nederland binnenvielen hij heeft er nog over gedacht om naar de Amerikaanse ambassade te gaan. Er was echter geen kans.

Vader en jet zijn verschillende malen door het oog van de naald gekropen. De spanning groeide met de dag. In december 1942 schreef Meijer een wanhoopsbrief aan een kennis of zij een onderduikadres wist. Dat bleek te kloppen.

Begin 1942 ging in Den Haag het gerucht rond dat Joodse mannen naar een werkkamp moesten, tenzij je een goede baan had. Die had hij niet meer, hij was in september als gevolg van de anti-Joodse maatregelen bij de Bijenkorf ontslagen. Om veilig te zijn heeft hij een baantje aangenomen als huisknecht bij welvarende Joden in Scheveningen. Dit heeft hij vier maanden volgehouden. Daarna is hij in een lokaal achter de Bijenkorf een opleiding tot handwerker gaan volgen. Hij had gehoord dat dit belangrijk kon zijn.
In de zomer van 1942 is vader naar Amsterdam teruggegaan. Hij moest zich melden bij de Joodse Raad. In die tijd woonde hij met Jet in de Transvaalbuurt bij zijn zus Jeanette in huis. Haar man, Nathan Halberstadt, was kleermaker. Ze hadden een lief dochtertje Rosa. Die heeft de oorlog niet overleefd.

Op 27 juli 1942 kwam zijn broer bij Meijer om afscheid te nemen. Hij had een oproep gekregen om met zijn gezin naar de Hollandsche Schouwburg te gaan. Hij dacht dat hij naar werkkamp zou moeten. Dat kon hij wel aan, zo redeneerde zijn broer. Hij was immers verwarmingsmonteur. Mijn vader heeft nooit meer iets van hem vernomen… . Later zijn ook zijn ouders en jongste zus van huis weggehaald en weggevoerd naar het Oosten waar zij in de vernietigingskampen zijn vermoord.

Vader en Jet zijn verschillende malen door het oog van de naald gekropen. De spanning groeide met de dag. In december 1942 schreef Meijer een wanhoopsbrief aan een kennis of zij een onderduikadres wist. Dat bleek te kloppen. In Leiden konden vader en Jet onderduiken. Tot zijn grote verassing trof vader er een collega van de Bijenkorf aan, die op dezelfde plek een veilig heenkomen had gevonden. Ze zijn daar bijna twee jaar geweest. Het was een zeer kerkelijk gezin. Er werd drie keer per dag gebeden, dagelijks meerdere keren uit de bijbel gelezen. Vader en Jet beschouwden het als een hel. Ze konden nooit naar buiten. Langzaam maar zeker gingen de vier onderduikers die er zaten elkaar haten. Ze zaten constant op elkaars lip.

Via Monnickendam zijn Meijer en Jet later in Purmerend terechtgekomen. Ze troffen daar de zus van Jet, Jeanette de Zwarte-Hagenaar (1903) en haar dochter Sina (1930). In februari 1945 zijn mijn vader en Jet daar met de andere onderduikers opgepakt. Er kwamen acht soldaten aan de deur. Ze werden met een auto naar de veemarkt gebracht waar ze ondervraagd werden. Vervolgens werden ze naar het huis van bewaring en Amsterdam gevoerd.

Op 12 maart 1945, ’s avonds om 23.00 uur ging de celdeur open. Er stond een bewaker die ze naar een klaarstaande vrachtauto leidde. De auto werd volgestopt met mensen. Vervolgens begon de reis naar Westerbork. Ruim dertien uur waren ze onderweg. Er moest langzaam gereden worden. Het transport werd onderweg nog beschoten. In de loop van de volgende dag kwamen vader en Jet in Westerbork aan.

Het verblijf in Westerbork was voor vader en Jet eigenlijk een opluchting. Ze waren weliswaar in handen van de nazi’s, maar de spanning was gebroken. Je kon je in het kamp relatief vrij bewegen. Er was wel weinig te eten. Meijer was straatveger in Westerbork. Hij moest klompen aan, en in zijn keurige pak dat hij aan had toen hij gepakt werd moest hij de straat op. Hij heeft er naar eigen zeggen niets uitgevoerd.

De familie Elsas.

Op 12 april 1945 kwam de bevrijding. Het was voor Meijer de mooiste dag in zijn leven. Hij is er altijd emotioneel onder gebleven. Na de bevrijding duurde het een tijdje voordat Meijer en Jet naar het westen terug konden. Uiteindelijk is vader met twee anderen namens een groep van 50 Haagse Joden naar Den Haag gegaan om hun terugkeer te bepleiten. De commandant van Westerbork moest toestemming van de gemeente hebben dat er plaats voor de mensen was. Dat is ten slotte gelukt. Op 22 juni 1945 mochten vader en Jet kamp Westerbork definitief verlaten.’