Michaël Hijman de la Bella

Sal de la Bella verteld het verhaal van zijn vader Michaël Hijman de la Bella (1916) die uit Westerbork ontsnapte, maar tot 12 april 1945 als ingezetene in het kamp geregistreerd bleef staan.

Michaël Hijman de la Bella

Michaël Hijman de la Bella

‘Mijn vader is geboren in de Rapenburgerstraat in Amsterdam, in de Jodenbuurt op 24 december 1916. Na zijn normale schooltijd is hij naar de ambachtschool gegaan om een vak te leren, in het geval van mijn vader het vak van meubelmaker. Mijn vader, zijn ouders en zus zijn in 1942 opgepakt en op transport gezet naar kamp Westerbork. Mijn vader was de jongste in het gezin De la Bella. Hij had nog één oudere zus, Elisabeth Belinfante-de la Bella (1914). Mijn vader is als meubelmaker in het kamp tewerkgesteld en was daardoor vrijgesteld van transport. Zijn ouders en zus niet. Zij zijn voor zijn ogen weggevoerd. Zijn vader Hijman de la Bella (1873) werd met zijn moeder Rosalie de la Bella-Hagens op 11 september naar Auschwitz overgebracht en daar drie dagen later in de gaskamer vermoord. Zus Elisabeth werd op 16 april 1943 in Sobibor om het leven gebracht.

Mijn vader heeft nooit veel over kamp Westerbork gesproken. De herinneringen aan het wegvoeren van zijn familie waren denk ik gewoonweg te pijnlijk voor hem. In de loop van de oorlog is mijn vader ontsnapt uit kamp Westerbork. Hij was op last van de bezetter in Amsterdam aan het werk gezet, in wat nu Gerrit van de Veenstraat in Amsterdam-Zuid is. Daar is hij ondergedoken. Het frappante en wrange hieraan is dat mijn vader is gered door een Duitse soldaat die precies aan hem vertelde wanneer er in de buurt weer razzia’s zouden plaatsvinden.

Michaël de la Bella.

Op een gegeven moment heeft mijn vader zijn biezen gepakt en is via het verzet bij de familie Kleijbrink terechtgekomen waar hij tot de bevrijding ondergedoken heeft gezeten. Ten tijden van zijn onderduiken is hij zelf ook in het verzet actief geworden. Zelf heeft mijn vader daar nooit over kunnen of willen praten, dat was schijnbaar een erecode onder oud-verzetsstrijders na de oorlog.

Mijn vader is als meubelmaker in het kamp tewerkgesteld en was daardoor vrijgesteld van transport. Zijn ouders en zus niet. Zij zijn voor zijn ogen weggevoerd.

Op zijn onderduik adres heeft mijn vader mijn moeder leren kennen. Mijn grootouders van moeders kant kwamen daar heel vaak op bezoek. Mijn grootvader had zichzelf en zijn gezin in het begin van de oorlog niet-Joods weten te verklaren. Op last van de rechtbank was de J uit hun persoonsbewijs gehaald. Daar heeft hij later nog eens 100.000 gulden voor moeten betalen aan de nazi’s, om dit zo te houden.

Mijn ouders zijn in 1945 getrouwd in Amsterdam. Na de oorlog heeft mijn vader er een poos gewerkt bij biljartfabriek Wilhelmina op de Stadhouderskade. Vervolgens is mijn vader in het bedrijf gestapt van mijn grootvader en heeft het vak van diamantslijper geleerd. Ook mijn moeder werkte in de zaak van mijn opa. Vanaf 1952, toen ik geboren werd, is mijn vader aan het werk gegaan bij de B.B. (Bescherming Bevolking) in Amsterdam, waar hij tot zijn afkeuring vanwege zijn rug (opgelopen in het Joodse werkkamp waar hij voor zijn tijd in Westerbork aan het werk was gezet), werkzaam is geweest.

Het heeft na de bevrijding jaren geduurd voordat mijn vader mee kon gaan naar mijn grootouders. De reden hiervoor lag in de geboortedata van mijn beide oma’s. Mijn oma van vaders kant was geboren op 11 april 1874, en mijn oma van moederskant op 11 April 1893. Deze overeenkomst was uiterst pijnlijk voor mijn vader. Toen hij op een gegeven moment wel weer mee ging naar de verjaardag van mijn oma, stond hij altijd te huilen. Dat heeft voortgeduurd tot het overlijden van mijn grootmoeder.

Mijn vader heeft met horten en stoten zijn leven na de oorlog weer weten op te pakken. Hij werkte ontzettend veel. Zijn leven bestond op een gegeven moment alleen maar uit werken, werken en nog eens werken. Het zorgde ervoor dat hij niet hoefde na te denken over zijn oorlogsverleden. Na zijn afkeuring rond 1970 was hij er echter altijd voor zijn gezin. Soms was hij overbezorgd, hij wilde altijd weten waar zijn kinderen waren. Zelfs als ik ging trainen ging hij altijd mee om een oogje in het zeil te houden, wat voor een puber op dat moment heel erg vervelend was. Later kon ik dat plaatsen omdat mijn vader al zoveel familie was kwijt geraakt in de oorlog. Ik ben dan ook best trots hoe hij het na de oorlog allemaal nog voor elkaar heeft gekregen, gezien zijn oorlogsverleden.

In 1980 is zijn kleinzoon geboren (mijn zoon) waar mijn vader stapelgek op was. Ik kan best zeggen dat het een omslag in zijn leven teweeg heeft gebracht. Ik kreeg er op dat moment een heel andere vader voor terug. Altijd vrolijk. Niets was hem teveel en zijn kleinzoon mocht alles van hem tot het slopen van de drempels in het huis aan toe.

Op 14 mei 2000 is mijn vader op 83-jarige leeftijd aan acute leukemie in het AMC ziekenhuis in Amsterdam overleden.’