Mozes Jacobs & Jacob Barend

In mei 1945 herkennen de in kamp Westerbork bevrijde Mozes Alexander Jacobs (1913) en Jacob Barend (1906) in één van de nieuwe gevangenen Jodenjager Martin Hintink. Met zijn collega’s was Hintink in 1943 verantwoordelijk voor het oppakken van 8.000 tot 9.000 ondergedoken Joden.

Interneringskamp Westerbork, 1945.

Mozes Jacobs & Jacob Barend

Op 7 mei 1945 ontmoet Mozes Alexander Jacobs in het bevrijde kamp Westerbork een oude bekende uit Amsterdam. Westerbork fungeert sinds enkele weken als interneringskamp voor van collaboratie met de nazi’s verdachte Nederlanders en de eerste honderden ‘landverraders’ zijn inmiddels in het kamp gearriveerd. Vooral NSB’ers en SS’ers, maar ook leden van de SD en Jodenjagers zoals Martin Hintink. Hintink, voor de oorlog lange tijd handelsreiziger in scheergerei bij Gilette, heeft in 1943 tot de Colonne Henneicke behoort, een groep met Jodenjagers die 8.000 tot 9.000 Joden hebben weten op te pakken en daarvoor f. 7,50 per ingeleverde Jood hebben gekregen.

Nadat verdachte had toegegeven dat hij zeven gulden vijftig had ontvangen voor het aanbrengen van ondergedoken Joden, zag ik dat de marechaussee de verdachte ongeveer twintig slagen gaf met een gummiknuppel, waarna ook de Joden de verdachte te lijf gingen.

Koopman Mozes Jacobs kent Hintink van zijn werk als portier in de Hollandsche Schouwburg. Tussen 20 juli 1942 en 19 november 1943 is de Schouwburg deportatieplaats voor meer dan 45.000 voornamelijk uit Amsterdam afkomstige Joden. Het is tevens de plek waar de leden van de Colonne Heinecke hun slachtoffers afleveren.
Als Mozes Jacobs op 7 mei langs één van de barakken in kamp Westerbork loopt ziet hij Hintink staan, zo getuigt hij na de oorlog in de rechtszaak tegen de Jodenjager.

‘Ik zag dat hij apart stond en ik zag en hoorde dat vier Joden tegen de verdachte schreeuwden en gebaarden. Ik riep daarop de verdachte toe: “Jij hebt zeven gulden vijftig premie ontvangen voor elke ondergedoken Jood die je aanbracht. Hij gaf dit toe maar ontkende bij de SD te hebben gewerkt. Hij zei dat hij bij de Colonne Henneicke was geweest. Nadat verdachte had toegegeven dat hij zeven gulden vijftig had ontvangen voor het aanbrengen van ondergedoken Joden, zag ik dat de marechaussee de verdachte ongeveer twintig slagen gaf met een gummiknuppel, waarna ook de Joden de verdachte te lijf gingen.’

Een woedende menigte heeft zich inmiddels om Hintink heen verzameld. Ook koopman Jacob Barend is erbij. Hij heeft net als Mozes Jacobs tijdens de oorlogsjaren bij de Hollandsche Schouwburg gewerkt. Als lid van de Joodse Raad moet Barend er in de hal de net aangekomen Joden registreren. Zittend aan een tafel noteert hij de persoonlijke gegevens van de slachtoffers en stuurt ze vervolgens door naar de schouwburgzaal. Het is slopend werk, maar het red Jacob Barends leven. Het is de reden dat hij net als Mozes Jacobs pas met het laatste transport in september 1943 uit Amsterdam naar Westerbork wordt gebracht en in het kamp een Sperre ontvangt. In Hintink herkent Barend de man die zijn schoonmoeder heeft gearresteerd, hoewel ze, net uit het ziekenhuis, herstellende was van een operatie. ‘Ze moest toch mee, ondanks mijn verzoek en ook het gesmeek van mijn vrouw’, schrijft Barend in een verklaring aan het Gerechtshof. ‘Hier in Westerbork hebben wij elkaar weer gezien en herkend.’

Joodse Raad verklaring van Jacob Barend.

Als de marechaussee en de voormalig gevangen Joden hun woede op Hintink hebben gekoeld, wordt de Jodenjager overgebracht naar de ziekenbarak. Dezelfde dag wordt hij verhoord over zijn oorlogsverleden. Als blijkt dat Hintink medeverantwoordelijk is voor de dood van duizenden weggevoerde Joden wordt hij overgebracht naar Amsterdam. In september 1948 begint zijn rechtszaak. Hintink hoort hoe de doodstraf tegen zich uitgesproken wordt, een vonnis dat een jaar later wordt omgezet in levenslang.
Rond 1960 wordt Martin Hintink vervroegd vrijgelaten.

Mozes Alexander Jacobs en Jacob Barend verlaten in juni 1945 kamp Westerbork keren terug naar Amsterdam.