Mozes Vet

Mozes Vet werd vanwege zijn huwelijk met een niet-Joodse vrouw niet naar ‘het Oosten’ gedeporteerd, maar in kamp Westerbork bevrijd. Een portret mede samengesteld door Willem Haandrikman.

De oostelijke ingang van kamp Westerbork waar Mozes Vet op 11 april met zijn kruiwagen doorheen wandelde.

Mozes Vet

Mozes Vet werd geboren op 6 mei 1907 te Amsterdam als zoon van Barend Vet (4 februari 1874) en Grietje Haag (4 november 1877). Het gezin bestond naast Mozes uit vijf andere kinderen. Marianne, de oudste, werd geboren op 14 november 1902. Hierna volgden Jacob, geboren op 9 september 1904, en Hermannus (Herman), geboren op 12 maart 1905. Na Mozes kwamen nog Israel (22 juni 1909) en nakomertje Marcus (17 oktober 1920). Barend en Grietje waren op 16 april 1902 in het gemeentehuis van Amsterdam getrouwd. Mozes’ vader was diamantbewerker.

Barend en Grietje Vet waren eenvoudige mensen. Op de huwelijksakte van Mozes en zijn bruid Johanna Emma Glebsattel (1911) staat bijvoorbeeld de vermelding dat Grietje het schrijven niet machtig is. Als getuigen traden daarom Mozes’ zus Marianna en haar echtgenoot Isaac van Colle (1890) op. Mozes had Johanna waarschijnlijk ergens aan het einde van de jaren twintig of het begin van de jaren dertig leren kennen. Johanna was afkomstig uit Duitsland waar haar ouders op dat moment nog leefden. Het huwelijk van Mozes en Johanna vond plaats op 6 mei 1932. Het pastgetrouwde stel besloot zich in de buurt van Mozes’ ouders in Amsterdam te vestigen.

Mozes was timmerman van beroep. Tijdens de oorlog had hij een kleine werkplaats aan de Nieuwe Kerkstraat 119 waar hij dagelijks reparaties uitvoerde. Hij woonde op dat moment met zijn vrouw en twee kinderen aan de Blassiusstraat 84III. In de buurt leefden veel van oorsprong Oost-Europese Joden die, op de vlucht en op weg naar een nieuwe toekomst in de Verenigde Staten, in Nederland waren blijven hangen.

Tijdens de oorlogsjaren wist Mozes lange tijd uit handen van de nazi’s blijven. De reden daarvoor lang verborgen in zijn huwelijk: in tegenstelling tot Mozes was Johanna namelijk niet-Joods. Dit maakte Mozes ‘gemengd-gehuwd’, een groep waarvan de nazi’s lange tijd niet precies wisten wat ze er mee aan moesten. Mozes kon zich daardoor in vergelijking met andere Joden relatief vrij in Amsterdam bewegen. De kans om gedeporteerd te worden was zogezegd een stuk kleiner.

Dit gold niet voor zijn ouders. Barend Vet werd eind 1942 opgepakt en via één van de gevangenissen in Amsterdam naar Westerbork overgebracht. Op 12 december volgde deportatie naar Auschwitz waar hij binnen enkele weken kwam te overlijden. Of beter gezegd: werd vermoord.

Moeder Grietje was op dat moment al ondergedoken. Bij haar zoon Mozes, in zijn werkplaats aan de Nieuwe Kerkstraat. Hoe is niet precies duidelijk, maar ergens rond de zomer van 1943 is Grietje verraden en door twee bekende Jodenjagers uit Amsterdam opgepakt. In zijn boek Kopgeld beschrijft Ad van Liempt wat er zich precies heeft afgespeeld bij de arrestatie van Mozes’ moeder.

‘Mozes Vet […] krijgt op zaterdagavond 3 juli 1943 om negen uur twee mannen aan de deur. Zijn vrouw doet open. “Goedenavond, Sichterheitsdienst.” Het zijn De Hout en Verlugt. Als Mozes Vet naar de deur gaat, ontspint zich deze dialoog:
Verlugt: “Waar is uw werkplaats?”
Vet: “Nieuwe Kerkstraat 119.”
Verlugt: “Wat bevindt zich daar?”
Vet: “Hout en gereedschap.”
Verlugt: “Wat nog meer?”
Vet: “Niets.”
Verlugt: “Geef de sleutel.”
Vet: “Mag ik dan mee?”
Verlugt: “Neen.”
Vet: “Het gaat om mijn moeder.”
Verlugt: “Ga dan mee om afscheid te nemen, want ze gaat naar de Schouwburg.”’

Mozes mocht zijn moeder van de twee Jodenjagers vergezellen naar de Hollandsche Schouwburg. Hier nam hij afscheid, zo verklaarde hij na de oorlog als getuige tijdens een verhoor. ‘Ik heb haar nooit weer gezien.’ Vanuit de Schouwburg werd Mozes’ moeder naar kamp Westerbork overgebracht en aldaar op 13 juli 1943 naar het vernietigingskamp Sobibor gedeporteerd. Daar werd ze direct bij aankomst door de nazi’s in de gaskamer om het leven gebracht.

Mozes mocht zijn moeder van de twee Jodenjagers vergezellen naar de Hollandsche Schouwburg. Hier nam hij afscheid, zo verklaarde hij na de oorlog als getuige tijdens een verhoor. ‘Ik heb haar nooit weer gezien.’

Meer dan een jaar na zijn moeder belande vervolgens ook Mozes Vet in kamp Westerbork. Op 2 september 1944 werd hij bij de kampregistratie als gevangene ingeschreven. Dezelfde dag nog werd Mozes verhoord. Kampcommandant Gemmeker en twee andere hooggeplaatste nazi’s ondervroegen alle gevangenen in de strafbarak, de plek waar Mozes terecht was gekomen, om te kunnen bepalen wie de volgende dag naar ‘het Oosten’ zou worden gedeporteerd. Tot deze groep behoorde ook de Groningse Benny Behr (1911). Net als Mozes wist ook Benny uiteindelijk de oorlog in Westerbork te overleven.

‘Op een gegeven moment was er een rechtszitting. Daar waren de zogenaamde rechters: Aus der Fünten, Gemmeker en Fischer. Toen die rechtszitting er was en ik binnenkwam zaten de heren achter een tafel. Ik hoorde de één tegen de ander zeggen: “Wieder ein Jude.” Binnen een minuut was de rechtszitting voor mij voorbij. Zo werd iedereen vanuit de strafbarak voorgeleid. Eén of twee dagen later kwam het bericht dat 59 personen bis auf weiteres vrijgesteld waren van transport. En daar stond ik bovenaan. De lijst begon bij de “B”. En zo ben ik met 58 andere personen achtergebleven, de overigen gingen allemaal op transport. Dit was begin september 1944. De 59 strafgevallen werden uit de strafbarakken ontslagen en konden zich bij het zogenaamde “vrije kamp” voegen.’

Alle 59 personen die mochten achterblijven waren zoals Mozes gemengd-gehuwd. Het was dus opnieuw zijn huwelijk met Johanna dat hem weerhield van deportatie. Na vertrek van de trein – achteraf het laatste transport naar Auschwitz – werd Mozes met de overgebleven groep gemengd-gehuwden overgebracht naar de nieuwe strafbarak van het kamp, barak 21. Een groot deel van het kamp werd geliquideerd, slechts een klein deel van de gevangenen bleef achter om te helpen met de sluiting. Zij verbleven in de oorspronkelijke barakken van het kamp, gebouwd in 1939, ten tijde van het Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork.

Op 12 april 1945 werd kamp Westerbork bevrijd. Voor Mozes het sein om zo snel mogelijk terug te keren naar zijn vrouw en kinderen in Amsterdam. Al op 11 april had hij een poging gewaagd, zo blijkt uit het dagboek van kampgevangene Hans Bial. Hij noteerde die dag dat Mozes na vertrek van de kampcommandant met zijn koffer op een kruiwagen het kamp uitwandelde. Een nog aanwezige bewaker sommeerde hem echter om te keren. Een tweede poging slaagde hoogstwaarschijnlijk wel: op 14 april werd op zijn kampkaart in ieder geval het woord ‘vermist’ aangetekend. Mozes was vertrokken. Enkele dagen later was hij terug bij zijn gezin in Amsterdam.

Mozes Vet overleed op 10 januari 1996 in Amsterdam. Zijn vrouw Johanna stierf meer dan dertig jaar eerder, op 1 maart 1964, eveneens in Amsterdam.