Nathan van Dam

Het oorlogsrelaas van Nathan van Dam (1912), een Joodse slager uit Assen, ontleend aan zijn verhaal in “De Joodse gemeente Assen. Geschiedenis van een behoorlijke kille, 1740-1976″ (Assen 1991), geschreven door F.J. Hulst en H.M. Luning.

De Joodse overlevenden van kamp Westerbork. Uiterst rechts Nathan van Dam.

Nathan van Dam

‘Samen met Sallie Vos meldde ik mij in 1942 bij de familie De Kat. Zij hebben gezorgd dat we plaats kregen bij mevrouw Zuidhof. Daarna zijn we bijna twee jaar ondergedoken geweest bij Lammert Koekoek. Daar zagen we twee keren de bonen in de tuin opgroeien. We zaten op de zolder en als er onraad was, verdwenen we in een gat onder de keukenvloer. Drie van hun kinderen sliepen naast ons. We hebben ze nooit gezien en zij ons ook niet.

Op een gegeven moment zaten we onder de vlooien. Dus gingen we op jacht. We maakten er een weddenschap van. Wie de meeste ving kreeg een sigaret. Sallie won, maar na een paar dagen zaten we er al weer onder. Toen deden we om twee sigaretten en won ik. Ik had de dooie vlooien van de vorige keer bewaard!

Onderweg kwam ik de SD’er Reiser tegen. Zijn houten en arm en been zouden na de bevrijding in een boom hangen.

Vervolgens zaten we een poos bij de familie H. Scheltes aan de Groningerstraat. Daar zat Moos Boekbinder ook. Lé Vos, die in Holthe was ondergedoken, zou bezoek krijgen van Scheltes. Het bericht dat de boerderij van Gils door de landwacht juist de dag ervoor was overvallen en bezet, had hem niet bereikt. Gevolg was dat Scheltes in de armen van de landwacht liep en zijn bezoek in verband werd gebracht met ondergedoken Joden. Scheltes werd afgevoerd naar een kamp in Duitsland en nog dezelfde avond kregen wij bezoek. Moos en ik gingen naar ons kamertje in het hok achter de boekenkast. Het hele huis werd overhoop gehaald. Ze kwamen boven, maar ze hebben ons niet gevonden. Daarna heeft bakker Elzinga ons naar de heer Brok gebracht aan de Anreperstraat. Daar werd de zaak verraden en toen ze ons niet konden vinden, hebben ze gedreigd het huis in brand te steken. Toen zijn we uit onze schuilplaatsen gekomen en gearresteerd. Ook Thomas Drach die uit Westerbork was gevlucht. We werden naar het politiebureau gebracht en daar waren ze verbaasd dat ik nog aankwam. Een van de agenten zei: “We hebben zoveel worst van jou gehad, jij krijgt nu worst van ons.” Dat is gebeurd. Maar de volgende dag werden we wel afgevoerd naar Westerbork.

Mijn kampperiode duurde maar kort. Op 12 april werden we door de Canadezen bevrijd. Opeens was het allemaal Oranje. Weet niet waar dat wegkwam. Voordien had ik bij kampcommandant Gemmeker, die natuurlijk wilde vluchten, geholpen de boel in te pakken. Na afloop zei hij: “Ik heb wat voor jou.” Kreeg ik van hem een staartklok. Ging naar de smederij om een kar te halen. Onderweg kwam ik de SD’er Reiser tegen. Zijn houten arm en been zouden na de bevrijding in een boom hangen. Maar toen was hij nog in functie en vroeg mij: “Waar heb je die klok gestolen?” Moest ik met dat ding terug naar Gemmeker en die verklaarde tegenover Reiser dat ik de klok inderdaad gekregen had. Toen er ik de barak mee binnen kwam, heb ik hem direct voor een half pakje shaq verkocht.

Er was een kampwinkel waar je van alles kon kopen. Ook veel dingen die buiten niet meer te krijgen waren. Ik heb toen gevraagd of ik de winkel kon kopen. Kreeg een pasje en ging vanuit het kamp alles aan de man brengen: garen, band en dergelijke.

Op een gegeven moment mochten we weg. Ik heb toen een paard en wagen uit Assen gehaald. Met Sam Stern als passagier gingen we met een volgeladen kar naar Assen. Sliep de eerste nacht bij café Eleveld. Jan Zwiers stond erop dat ik bij hem in huis kwam. Alles en iedereen was weg. Ik wou ook weg … varen.
Ze hebben me tegengehouden. Ik ben toen gebleven en opnieuw begonnen. Toen ik de slagerij weer opende, kwamen er 66 bloemstukken. De Canadezen stopten. Dachten dat het een bloemenwinkel was. Ging ik de bloemen verruilen voor sigaretten… .’