Nettie & Maup Beetz

Nettie Kater (1920) wordt in december 1942 als gevangene in kamp Westerbork ingeschreven. Ze ontmoet er Maup Beetz (1916) met wie ze in april 1944 trouwt. Samen maken Nettie en Maup in Westerbork de bevrijding mee.

Maup Beetz.

Nettie & Maup Beetz

‘Ik zat ondergedoken in Eindhoven toen ik eind 1942 opgepakt werd. Na kort in de gevangenis te hebben verbleven, werd ik naar kamp Westerbork gebracht. Ik werd naar barak 72, één van de grote woonbarakken gestuurd. Via een goede vriendin kon ik aan een baantje bij de registratie komen. Haar man zat al in het kamp en had een positie waarop hij dat soort dingen kon regelen. Eén van mijn broers, die nog buiten Westerbork was, heeft me vervolgens een typemachine opgestuurd. Een Remmington.

Ik had een secretaresse opleiding gevolgd en werd dus geschikt bevonden om bij de registratie aan het werk te gaan. Als er transporten in Westerbork aankwamen werden wij gesommeerd om naar de schouwburg te komen. Daar stonden tientallen tafeltjes klaar waar we achter plaatsnamen. Vervolgens kwamen de mensen binnen en moesten we hen in de kampregistratie inschrijven. Het was altijd een drukte van jewelste, zo’n binnenkomend transport. Zeker in de beginperiode.

Maar toen werd ik doodsbang. Ik hoorde in de verte nog schieten. Ik dacht: “Jezus, de Duitsers komen terug, we moeten weg.” Die nacht ben ik zo bang geweest. Ik was er van overtuigd dat ze ons zouden neerschieten als ze het kamp wisten te heroveren.

In het kamp ontmoette ik Maurits Beetz. Hij was er werkzaam bij de Ordedienst. Dat baantje had hij gekregen via de commandant van het vluchtelingenkamp, Jacques Schol. Deze Schol was een oud-militair die in mei 1940 op Texel gelegerd was. Ook Maup zat daar toen, Schol was zijn kapitein geweest. Toen Maup in augustus 1942 in kamp Westerbork kwam is hij op Schol afgestapt en heeft aan hem gevraagd of hij iets voor hem kon betekenen. Schol zorgde er daarna voor dat Maup bij de OD kon komen, waardoor hij gesperrd was van transport naar het Oosten.

In april 1944 zijn Maup en ik getrouwd. Niet alleen werden mijn kansen om in Westerbork te blijven hierdoor groter, ook hoefde ik niet meer in een grote woonbarak te leven. We kregen een kamer in één van de oude vluchtelingenkampbarakken toegewezen. Doordat hij als OD’er ook regelmatig nachtdiensten draaide, wist Maup vaak extra eten voor ons te regelen.

Op 12 april 1945 werden alle overgebleven gevangenen in de schouwburg bijeengeroepen. Aad van As, één van de niet-Joodse medewerkers van het kamp – een goede Nederlander – sprak ons toe. Opeens riep iemand: “De Canadezen zijn er!” We holden allemaal naar buiten en daar kwamen de tanks aan. Dat moment vergeet ik nooit meer.

Die avond was er een groot feest. We hebben uitgebreid gedanst. Maar toen werd ik doodsbang: ik hoorde in de verte nog schieten. Ik dacht: “Jezus, de Duitsers komen terug, we moeten weg.” Die nacht ben ik zo bang geweest. Ik was ervan overtuigd dat ze ons zouden neerschieten als ze het kamp wisten te heroveren.

In juli 1945 zijn we uit kamp Westerbork vertrokken. We konden terecht bij een oude vriend van Maup in Amsterdam die hij kende van het voetbal. Maup had voor de oorlog jaren gevoetbald bij VVA en ook nog een tijdje bij Ajax volgens mij. Ook in Westerbork voetbalde hij mee in de kampcompetitie, ik heb er nog wel eens bij staan kijken.

Voetbal in kamp Westerbork. Zittend links, tweede van onderen is Maupie Beetz.

Ik ben na de oorlog nooit meer teruggeweest naar kamp Westerbork. Het was voor mij te confronterend om er heen te gaan. Ik heb mijn kinderen ook nooit willen vertellen over de oorlog. Ik wilde hen niet opzadelen met mijn pijn uit dat deel van het verleden. Dat heb ik altijd verborgen willen houden.’