Richard Türkel & Hans Milecki

Heinz Vijgenboom kwam in januari 1942 in kamp Westerbork aan. Hij werd tewerkgesteld in het ketelhuis waar hij Richard Türkel (1901) en Hans Milecki (1898) leerde kennen.

Richard Türkel.

Richard Türkel & Hans Milecki

‘In kamp Westerbork was ik één van de weinige mensen die veilig en betrouwbaar buisleidingen en dergelijke zaken kon lassen. Ik werd daarom bij het ketelhuis ingedeeld waar ik werkte met twee collega machinisten, Paul Kaiser en Hans Milecki. Milecki was de chef en wij waren zijn assistenten.

In het ketelhuis heb ik samen met Hans en Paul in april 1943 een derde ketel aangelegd. Er waren daarna twee ketels met een capaciteit van ongeveer 80.000 liter en één heel oude ketel, alleen geschikt voor warm water, van ongeveer 30.000 liter. Die moesten we de hele dag controleren. Bij de aanleg van de centrale verwarming in 1939 had men namelijk op de verkeerde plaatsen bezuinigd. Er was bijvoorbeeld geen rekening gehouden met expansie van de buizen door verhitting van het water. De buizen scheurden of braken; we waren ze constant aan het vervangen. In het ketelhuis waren we daarnaast verantwoordelijk voor de pompinstallaties en reservoirs van het drinkwater, alsmede de elektrische schakelcentrale.

Er werkten gemiddeld zo’n 25 mannen in het ketelhuis, veelal strafgevallen. Milecki en Türkel probeerden deze mensen te helpen. Als ze bij ons kwamen hoefden ze niet echt hard te werken.

Richard Türkel uit Wenen was onze baas. In Westerbork ging hij door voor halfjoods, terwijl iedereen er wel wist dat hij gewoon een volle Jood was. Bij Türkel kon ik absoluut geen kwaad doen. Hij heeft mij altijd beschermd. Ik kreeg op een gegeven moment bij de strafbarak ruzie met een OD’er. Het was een hele toestand. De OD’er duwde een vrouw met haar gezicht in de modder waarop ik hem een klap gaf. Ik werd onmiddellijk in de gevangenis opgesloten. Dat ik er weer uit ben gekomen en niet gelijk op transport werd gesteld, had ik te danken aan Türkel. Daarna is het nooit meer goed gekomen tussen ons van de technische dienst en de leden van Ordedienst. Kijk, Türkel was een man met humor, maar je moest hem niet tegen je hebben.

Er werkten gemiddeld zo’n 25 mannen in het ketelhuis, veelal strafgevallen. Milecki en Türkel probeerden deze mensen te helpen. Als ze bij ons kwamen hoefden ze niet echt hard te werken. Het sjouwen van de kolen deden we zelf, ze hoefden alleen maar de boel te controleren en wat kleine klusjes op te knappen. Ze kregen wel een goed bord eten, extra kleding die over was en veel spullen van ons mee. Soms een hele koffer, dat regelde Türkel. Later, toen ik een paar van die strafgevallen in Auschwitz tegenkwam spraken ze er me over aan. “Sie sind der Heinz aus dem Kesselhaus.” De hulp van Milecki en Türkel had een grote indruk op die mensen gemaakt.’