Robert & Paul de Vries

Els van Rijn-Zandstra beschrijft het leven van twee jonge broers Robert (1924) en Paul “Uri” de Vries (1926) die in kamp Westerbork zonder hun ouders moeten zien te overleven.

Robert en Paul de Vries met hun grootvaders, 1928.

Robert & Paul de Vries

Op een dag, begin februari 1943, zwaait een jongen van 16 jaar zijn ouders uit. Ze spreken af dat de ouders na aankomst op de plaats van bestemming op een bepaalde plek in de trein een briefje zullen verstoppen; als de trein terugkomt zal de jongen ernaar zoeken. De zware schuifdeuren van de wagons worden gesloten en vergrendeld, de deuren van het passagiersrijtuig waarin de ouders zitten, dichtgedaan. Ze zwaaien, bang en verdrietig. Hij, Paul, blijft met zijn oudere broer Robert in Lager Westerbork achter. Er is ernstig overleg geweest: zullen ze vrijwillig met hun ouders meegaan of niet. De ouders, Moritz de Vries (1895) en Esther Ella de Vries-Hopfeld (1893), zijn ‘op transport’ gestuurd naar Auschwitz.
Het briefje vindt Paul nooit.

Robert en Paul worden geboren in Nordhorn in Duitsland, vlak over de grens met Nederland. Het gezin is één van de twaalf orthodox Joodse gezinnen in het stadje. Vader runt samen met zijn vader een textielwinkeltje in de Neuenhauserstrasze op nummer 14. De relaties in het stadje zijn vriendelijk; de jongens hebben op school en in de straat vriendjes. Na de machtsovername door Adolf Hitler in 1933 gaat het met de zaak minder en minder en wordt de familie meer en meer geconfronteerd met antisemitisme. Ter voorbereiding op emigratie gaan ze Engels leren.

Tijdens de Kristallnacht van 9 op 10 november 1938 sneuvelen de etalageruiten, wordt de winkel geplunderd en de inboedel van het huis vernield. Grootvader wordt mishandeld. Paul en Robert, doodsbang, verstoppen zich achter hun moeder die onder de tafel schuilt. Alle Joodse mannen, dus ook hun vader, worden die nacht gearresteerd en naar het concentratiekamp Sachsenhausen in Oraniënburg gebracht, waaruit hij na een paar weken terugkeert, kaalgeschoren. Robert en Paul horen nooit wat daar gebeurd is. Wellicht heeft vader moeten tekenen dat hij Duitsland zal verlaten.
Paul is 12 jaar en zit op de lagere school, Robert is 14 en gymnasiumleerling.

De ouders brengen de jongens in veiligheid bij vrienden van familie in Almelo en besluiten zo snel mogelijk uit Duitsland weg te gaan. In 1938 vertrekken ze met Robert en Paul naar Rotterdam in de hoop papieren in orde te krijgen en een boot naar Noord-Amerika te kunnen nemen. Ze komen terecht in de Quarantaine Inrichting Beneden Heyplaat, een opvangadres voor Joodse vluchtelingen. Paul viert hier zijn bar mitswa, door de omstandigheden een sobere plechtigheid. Er worden geen foto’s genomen, zoals bij de bar mitswa van Robert. Foto’s met ouders en grootouders in hun nette pak, de jongens in korte broek en met petjes op, Paul met zijn bril.

Ze worden naar de Quarantaine Inrichting Zeeburg in Amsterdam overgeplaatst, ook een opvangadres voor vluchtelingen. Paul herinnert zich een koud en vochtig oord vol muizen en ratten. De jongens gaan naar de ambachtsschool in de buurt en leren voor automonteur, maar moeten daar al gauw mee stoppen. Robert wordt ziek opgenomen in ziekenhuis De Joodse Invalide. Vader belandt daar niet veel later met een gebroken enkel. Paul en zijn moeder worden in het Lloyd Hotel in Amsterdam geplaatst, een voormalig landverhuizershotel, nu een tehuis voor Joodse vluchtelingen.
Vader van vader, Benjamin de Vries (1860), bezoekt hen in Amsterdam. Hij heeft vanaf 1 juli 1939 onderdak in Borne gekregen. Hij zal daar op 20 september 1940 overlijden, bijna 80 jaar oud.

Paul en Robbert, staand tweede en derde van links.

De overtocht naar Amerika krijgt de familie niet voor elkaar. De papieren komen niet op tijd in orde.
Op 27 februari 1940 arriveren Robert en Paul met hun ouders in kamp Westerbork. Ze zijn dan 16 en bijna 14 jaar. Na hun vlucht uit Nordhorn is dit Roberts zesde en Pauls vijfde adres in Nederland.
Ze zullen er 5 ½ jaar blijven.

Het gezin krijgt een huisje midden op het kampterrein toegewezen. Het is klein en netjes. De jongens gaan al gauw naar de geïmproviseerde school, waar ze niet veel leren, maar ze hebben tenminste iets te doen. Paul sluit zich aan bij de Jugendbund, later de Schülerkreis genoemd, een in het kamp opgerichte, orthodoxe, zionistische jeugdorganisatie. De enige plek in het kamp waar hij zich jong kan voelen. Vader werkt als schoonmaker in de barakken.

Na de Duitse invasie maken ze de mislukte evacuatie van het kamp mee; ze verblijven een paar weken in Leeuwarden, een onzekere tijd, en keren terug naar kamp Westerbork. Robert zal altijd contact blijven houden met het gezin dat de jongens in Leeuwarden opvangt.

Ze hervatten het kampleven. Robert en Paul worden in een barak geplaatst. Bij de ouders komt een echtpaar inwonen. De regels worden strenger, ze mogen het kampterrein niet meer verlaten, ze moeten dagelijks twee keer op appèl staan. Vader werkt weer als schoonmaker en brengt eten rond. Moeder doet naaiwerk. De jongens gaan naar school, ze nemen deel aan Joodse lessen, de familie gaat naar sjoel, de Joodse feestdagen worden gevierd. Er is gebrek aan eten. Zeker voor opgroeiende jongens is er veel te weinig: Robert belandt met ondervoeding in de ziekenbarak.

De zware schuifdeuren van de wagons worden gesloten en vergrendeld, de deuren van het passagiersrijtuig waarin de ouders zitten, dichtgedaan. Ze zwaaien, bang en verdrietig. Hij, Paul, blijft met zijn oudere broer Robert in Lager Westerbork achter.

In juli 1942, nemen de Duitsers de leiding van het kamp over en wordt kamp Westerbork een Judendurchgangslager. Vanaf dit moment rijden de treinen naar ‘het Oosten’. Vanaf nu leven ze met angst voor de transportlijsten. Het gezin De Vries staat op de eerste lijst. Vader praat met commandant Erich Deppner en vertelt dat hij in de Eerste Wereldoorlog voor Duitsland vocht. Hun namen worden van de lijst gehaald.

Robert werkt als smid en mecanicien bij de onderhoudsdienst van het kamp. Paul wordt ingedeeld bij de Fürsorge. Zijn werk bestaat hoofdzakelijk uit het uitpakken en sorteren van pakjes voor mensen die niet meer in het kamp verblijven. Daarvan maakt hij nieuwe pakjes, bestemd voor de zwakkeren die op transport gaan. Door dit werk heeft hij, om zijn arm een witte band met een F erop, toegang tot de perrons en kent hij de treinen goed. Later werkt hij op de kampboerderij en in de bossen waar hij hout kapt. Hij werkt bij het lossen van schepen in het Oranjekanaal en later in de buitendienst, waarvoor hij met een groepje Joodse gevangenen, onder bewaking, naar Amsterdam reist om apparatuur en medicijnen van Joodse ziekenhuizen klaar te maken voor verzending naar Duitsland. Ook Robert werkt een periode buiten het kamp, waar hij met een groepje gevangenen reparaties verricht in een SS-kantoor. Daar is hij vrij, loopt in en uit zonder ster op zijn kleding en gaat naar de bioscoop.

Op de kampkaarten van Robert en Paul is Alter Lagerinsasse gestempeld. Dit is een belangrijk gegeven. Het kamp draait op het werk en de ervaring van de langst ingezetenen en dat zijn de Duits Joodse vluchtelingen. De jongens zijn gezond, ze werken, ze maken geen moeilijkheden en dat beschermt ze.
Eind januari 1943 wordt de familie waarmee de ouders wonen, betrapt op zwarte handel in eieren. Deze mensen én de ouders van Robert en Paul worden naar de strafbarak overgebracht en op het eerstvolgende transport naar Auschwitz gestuurd. Robert komt de kampcommandant tegen en smeekt hem z’n ouders niet weg te sturen, maar het blijft zoals het is. Er is zwaar overleg: zullen de jongens meegaan of niet. Ze blijven. Vanaf nu staan Robert en Paul alleen, zonder ouders, in hun strijd om te overleven, 19 en 16 jaar oud.

Paul en Robert, staand tweede en vierde van link.

Uiteindelijk behoren Robert en Paul de Vries tot de laatste ‘bewoners’ van kamp Westerbork. Ze ontkomen aan het allerlaatste transport en maken de bevrijding op 12 april 1945 mee. Paul herinnert zich de uitbundige ontvangst van de Canadezen en het witte brood dat deze uitdelen. Hij herinnert zich de eerstvolgende sjoeldienst in de grote zaal van het kamp, een indrukwekkende en ontroerende gebeurtenis.
Op 18 juli 1945 verlaten Robert en Paul de Vries kamp Westerbork. Ze vertrekken met vrienden naar België en belanden via Brussel in een Parijs opvangcentrum voor Joodse vluchtelingen. In 1946 emigreren ze. In maart reist Paul per boot vanuit Zuid-Frankrijk naar Palestina. Robert reist naar New York, waar twee ooms hem op 19 mei van de boot ophalen.

In september 1989 wordt Paul, die nu Uri heet, geïnterviewd door Willy Lindwer. Hij woont met zijn vrouw in een huisje in een kibboets niet ver van Tel-Aviv. Uri werkt op de administratie van de plasticfabriek van de kibboets. Robert wordt in januari 1993 geïnterviewd door Rabbi Charles Rosenzveig en in oktober 1995 door Franklin Kelemen in het kader van het Shoah Visual History Archive. Hij trouwt in 1953 en heeft twee zonen en kleinkinderen. Hij lijdt onder schuldgevoel over het feit dat hij zich in het kamp nooit heeft verzet. Hij kan ook niet vergeten en vergeven wat mensen andere mensen aandeden tijdens de Holocaust.
Paul sterft in 1994; ook Robert is niet meer in leven.

Vóór het huis Neuenhauserstrasze nummer 14 te Nordhorn zijn drie zogenoemde Stolpersteine aangebracht, ter nagedachtenis aan hun ouders Moritz de Vries en Esther Ella de Vries-Hopfeld en aan hun grootvader Benjamin de Vries.

In 2012 is op de Joodse begraafplaats in Borne een grafsteen geplaatst op het graf van grootvader Benjamin de Vries.