Rolf Levi & Werner Katz & Bernhardt Köbner

Een bijzondere foto toont de voorgeschiedenis van het Durchgangslager Westerbork. Jolig kijkende mannen in een tijd dat Westerbork nog niet de deportatieplaats is die het enkele jaren later zal zijn. Slechts een klein deel van de geportretteerde mannen zal de oorlog overleven en de bevrijding in het kamp meemaken.

Westerbork, 1940.

Rolf Levi & Werner Katz & Bernhardt Köbner

Op het eerste gezicht toont de foto geen bijzonder tafereel. Een groep jonge mannen, bezig met een lolletje, jolig in de camera kijkend. De foto had gemaakt kunnen zijn tijdens een vooroorlogs jeugdkamp van de padvinders; het had een uitje van de plaatselijke voetbalclub kunnen zijn.

Het is de plek en het tijdstip dat de foto opmerkelijk maakt. Een groep jonge Joodse mannen in kamp Westerbork, ergens in 1940. De Tweede Wereldoorlog is inmiddels uitgebroken en de inval van de nazi’s dreigt. De op de foto afgebeelde jongeren zijn duidelijk hecht met elkaar. Ze delen hetzelfde verleden: het zijn vluchtelingen die hun land moesten verlaten vanwege hun Joodse achtergrond en die na een zware reis in Nederland terecht zijn gekomen.

Zittend in het midden, met het nette pak en de bril, is Rolf Simon Levi (1921). Hij verblijft zich sinds 1 april 1940 in Westerbork, waar hij een baantje bij de kleermakerij heeft gevonden. Rolf woont in barak 6, de barak waarvoor de foto is genomen. In één van de vier zalen, die hij deelt met twintig andere jongens, heeft hij zijn eigen eenpersoonsbed. Bijna drie jaar na het nemen van de foto komt Rolf’s broer Egon (1924) in het kamp aan. De status van zijn broer als Alte Lagerinsasse, behoedt hem voor de trein naar het Oosten.

Het is de plek en het tijdstip van nemen dat de foto opmerkelijk maakt. Een groep met jonge Joodse mannen in kamp Westerbork, ergens in 1940. De Tweede Wereldoorlog is inmiddels uitgebroken en de inval van de nazi’s dreigt.

Uiterst links zit schilder Werner Katz (1922). De 21-jarige Werner trouwt op 13 september 1943 met de even oude Kaatje Goldsmit (1922), die dan sinds enkele maanden in Westerbork gevangen zit. Het is een verstandshuwelijk met een romantisch tintje. Dankzij de verbintenis kan Kaatje tot het einde van de oorlog in Westerbork blijven. Na de bevrijding besluiten Werner en Kaatje het huwelijk niet te laten ontbinden. Ze blijven getrouwd en vertrekken naar Amerika waar ze in de jaren negentig komen te overlijden.

Bernhardt Köbner (1922) – staand, vierde van rechts – en Gertrud Köbner-Faden (1922) zijn op het moment dat de foto gemaakt wordt al getrouwd. Bernhardt behoort tot de eerste bewoners die in oktober 1939 in het kamp aankomen. Als elektricien is Bernhardt betrokken bij de barakkenbouw, een positie waarin Berhardt zich weet op te werken binnen de technische dienst. In oktober 1943 wordt hij zelfs een tijdlang naar Den Haag uitgezonden om daar op het SD-hoofdkwartier aan het werk te gaan.

Gertrud zit dan inmiddels ook in kamp Westerbork. Zij heeft zich in februari 1942 bij Bernhardt gevoegd en is in werkzaam in het weeshuis. Daar werkt ze nog steeds als op 12 april 1945 Canadese soldaten Westerbork bevrijden. Ruim twee maanden later mogen Gertrud en Bernhardt het kamp verlaten. In de jaren die volgen constateren beiden dat er voor hen, als Duitse Joden in Nederland geen toekomst is weggelegd.
Eind jaren veertig emigreren Gertud en Bernhardt Köbner naar de Verenigde Staten.