Salo & Roos Polak

De in de onderduik opgepakte Roos de Wolff leert in kamp Westerbork Salo Polak kennen. Hij werkt er bij de OD en moet Roos bewaken. Op 8 juni 1945 treden beiden in kamp Westerbork in het huwelijk.

Werken op het land. Kamp Westerbork.

Salo & Roos Polak

Op 8 juni 1945 trouwen Salo Polak (1920) en Roos de Wolff (1920) in een van de oude vluchtelingenkampbarakken van kamp Westerbork. Er zijn buiten enkele andere oud-kampgevangenen niet veel gasten aanwezig. Van Roos familie is er niemand; ze is enig kind en haar ouders zijn in een concentratiekamp in Oost-Europa vermoord. Dit heeft ze onlangs te horen gekregen van de man die haar het leven heeft gered, dominee Leendert Overduin.

Ds. Overduin komt uit Enschede, net als Roos. Ze is er komen wonen toen ze dertien was, samen met haar ouders, Jacob en Sara de Wolff. Roos heeft een orthodoxe opvoeding van haar ouders gekregen. Het is een warm gezin. Oma de Wolff woont bij Roos en haar ouders in en ook met andere familieleden is er hecht contact.

Roos kan goed aarden in Enschede. Ze heeft genoeg bekenden binnen de Joodse gemeenschap maar ook daar buiten gaat ze met veel mensen vriendschappelijk om. Wanneer de nazi’s Nederland binnen vallen en het leven voor Joden zwaarder wordt, ontvangt Roos van deze niet-Joodse vrienden veel steun.

Een van deze OD’ers is de uit Apeldoorn afkomstige Salo Polak. Hij zit sinds 3 oktober 1942 in Westerbork gevangen en is al die tijd door zijn functie van transport gevrijwaard gebleven. Roos en Salo krijgen een relatie en besluiten kort na de bevrijding te trouwen.

Met hulp van Ds. Overduin (die tijdens de oorlog honderden Joden hielp onderduiken) vindt Roos eind 1942 een onderduikplek. Ze komt terecht bij de burgemeester van Giethoorn, Jan Voetelink. Roos kan in Giethoorn niet buiten komen en om de tijd te doden helpt ze de familie Voetelink in de huishouding.

Als na een paar maanden de stress de burgemeestersvrouw teveel wordt, begint voor Roos de Wolff een zwerftocht langs onderduikplekken in Groningen en Drenthe. Ergens begin 1943 komt ze terecht in Nieuw-Amsterdam, een dorp onder de rook van Emmen. Roos vindt er een warm welkom bij de familie Aardema, waar ze uiteindelijk zo’n anderhalf jaar mag verblijven.

Op 13 december 1944 wordt Roos opgepakt. Ze blijkt verraden te zijn en wordt meegenomen naar de gevangenis van Assen. Een dag later volgt het vertrek naar kamp Westerbork waar ze kort na aankomst in de aardappelschilkeuken tewerk wordt gesteld. Later moet ze buiten het kamp op het land werken.

Dominee Overduin.

Als opgepakte onderduiker geldt Roos in kamp Westerbork als een strafgeval. Tijdens het werk en bij de woonbarak worden Roos en de andere strafgevallen door leden van de Joodse politie van het kamp, de Ordedienst, bewaakt. Een van deze OD’ers is de uit Apeldoorn afkomstige Salo Polak. Hij zit sinds 3 oktober 1942 in Westerbork gevangen en is al die tijd door zijn functie van transport gevrijwaard gebleven. Roos en Salo krijgen een relatie en besluiten kort na de bevrijding te trouwen.

Acht dagen na hun huwelijk vertrekken Salo en Roos uit kamp Westerbork. Ze verblijven enige tijd bij kennissen van Salo in Apeldoorn. Na enige omzwervingen vindt Salo werk bij de Philips-fabriek in Weesp. Het gezin, inmiddels zijn er twee dochters geboren, vestigt zich in het kleine dorpje Nederhorst Den Berg. Hier overlijd Roos Polak, een paar jaar geleden, op hoge leeftijd.