Selfried & Helena Fuchs

Helena van Leeven (1926) kwam in oktober 1942 voor de eerste keer met haar twee zusjes in kamp Westerbork aan. Ze ontmoette er de Duits-Joodse vluchteling Selfried Fuchs (1913). Na een kort verblijf in Barneveld keerde Helena, die na de oorlog in Israël de naam Lea Ben Chanan aannam, in september 1943 in Westerbork terug. In oktober van dat jaar trouwde ze met Selfried. Lea’s verhaal is opgetekend in het boek ‘Kamp van hoop en wanhoop’ van Willy Lindwer en Karin van Coeverden.

Selfried Fuchs.

Selfried & Helena Fuchs

‘In oktober 1942 is ons gezin uit het ouderlijk huis in Den Haag opgepakt en naar de gevangenis gebracht. De Befehlshaber der Sicherheitspolizei und SD, Fischer, heeft er toen voor gezorgd dat mijn twee zusjes en ik naar Westerbork werden gestuurd. Mijn ouders mochten weer naar huis omdat mijn vader in dienst van de Joodse Raad was. Op 17 oktober 1942 kwamen we in Westerbork aan.

Mijn zusjes en ik werden ingezet bij de buitendienst. Samen met leden van een hachsjaragroep werkten we bij boeren in de omgeving van Westerbork. We moesten ‘s morgens vroeg opstaan en in weer en wind werken. Knolletjes trekken en aardappelen poten en dan weer terug naar het kamp. Als we ‘s avonds in de barak kwamen, was het meestal zo laat dat iedereen al gegeten had. Het gevolg was dat er vaak geen eten meer voor ons was.

In februari 1943 mochten mijn zusjes en ik het kamp weer verlaten. Wij konden ons bij onze ouders voegen die ondertussen op de Barneveld-lijst waren geplaatst en in kasteel De Schaffelaar in Barneveld zaten. Op 29 september 1943 werd de hele Barneveld-groep naar Westerbork gestuurd en zo kwamen mijn zusjes en ik voor de tweede keer in Westerbork aan. We werden weer te werk gesteld in de buitendienst.

 De moestuin van kamp Westerbork. “De moestuin van kamp Westerbork.”

Mijn vriend Selfried werkte eerst in Assen in de tuinen van het kantoor van de SD en in privé-tuinen van SD’ers. Ik werd ook weleens naar Assen gestuurd om de tuin van de tante van Frau Hassel te fatsoeneren. Ook heb ik de tuin van twee SD’ers die in Assen woonden, verzorgd. We hadden ook binnen het kamp veel werk te doen. De tuin was groot en er waren groentetuinen en broeikassen.

Al vrij gauw nadat Selfried en ik samenwerkten, voelde ik me verantwoordelijk voor hem. Ik stopte zijn kousen, deed zijn was en zorgde dat hij genoeg te eten kreeg. Er waren wel meer meisjes die de zorg voor een bepaalde jongen op zich namen. Langzamerhand ben ik van Selfried Fuchs gaan houden en we besloten te trouwen. Nou kon je niet zomaar trouwen, je moest van tevoren een vergunning aanvragen. Omdat mijn man bij het huispersoneel van de commandant behoorde, moest hij persoonlijk aan Gemmeker vragen of wij mochten trouwen. De commandant zei tegen hem dat ik door het huwelijk mijn Barneveld-Sperre zou verliezen. Selfried zei tegen Gemmeker dat wij ons dat alle twee realiseerden maar dat wij desondanks wilden trouwen. Gemmeker gaf ons hierop zijn toestemming. Daarna konden we alles in orde maken voor het huwelijk. Selfried en ik hadden er geen grote verwachtingen van, maar het was in elk geval fijn dat we nu samen konden leven. We hadden altijd nog hoop dat alles uiteindelijk goed zou komen, dat we samen in vrijheid zouden verder leven.

Al vrij gauw nadat Selfried en ik samenwerkten, voelde ik me verantwoordelijk voor hem. Ik stopte zijn kousen, deed zijn was en zorgde dat hij genoeg te eten kreeg. Er waren wel meer meisjes die de zorg voor een bepaalde jongen op zich namen. Langzamerhand ben ik van Selfried Fuchs gaan houden en we besloten te trouwen.

Mijn man en ik zijn een keer op de lijst naar Bergen-Belsen gezet. We waren al gepakt en bezakt om naar de deportatietrein te gaan, toen Gemmeker ons van de lijst haalde. Hij zei dat hij ons nodig had voor het werk in de tuinen. De commandant deelde mijn man mee dat was pas naar Bergen-Belsen zouden gaan als hij er van overtuigd was dat we werkelijk zouden worden uitgewisseld naar Palestina. We zouden echter tot de bevrijding in Westerbork blijven. Toen het laatste transport wegging, waren er slechts een paar honderd mensen in het kamp over. Zij moesten het kamp opruimen. Mijn man en ik hoorden hierbij.

Wij waren vanaf die tijd de enige twee kampgevangenen die de tuinen onderhielden, we hadden heel veel werk. Later heeft mijn man ervoor gezorgd dat een jongen die opgepakt was van zijn onderduikadres bij ons in de tuinen kwam werken. Selfried was naar de commandant gegaan en had hem gezegd dat deze jongen heel goed strikken kon zetten om de konijnen te vangen die de kool opaten.

Albert Konrad Gemmeker.

Op 11 april, de dag voor we bevrijd werden, zijn de Duitsers vertrokken. Ze hadden maar één auto tot hun beschikking. Van Buren, de man die verantwoordelijk was voor de garage had verder alle auto’s onklaar gemaakt. Van Laer, de chauffeur van Gemmeker was al eerder naar de oprukkende geallieerden geweest en had zijn auto aan de Canadezen gegeven. Hij was teruggekomen met een motor en had aan de commandant gezegd dat de Canadezen al heel dichtbij waren.

Wij stonden te kijken toen de Duitsers bezig waren met de voorbereidingen voor hun vertrek. Gemmeker kwam op mijn man af en wilde hem een hand geven maar mijn man hield zijn handen op de rug. Gemmeker zei: “Herr Fuchs wenn wir uns mal treffen, erzählen Sie mir bitte wie die Übergabe war.”

Nog op 12 april 1945 stonden er witte anjers in de kas. Deze bloemen hadden er eigenlijk allang uitgehaald moeten worden omdat er beter groente in kon worden verbouwd. Maar mijn man heeft ervoor gezorgd dat de anjers tot het laatst toe in de kas bleven. Hierdoor kon Selfried toen ons kamp op de 12de april 1945 werd bevrijd en de eerste Canadese tank binnenkwam een bos met zelfgekweekte anjers op deze tank gooien. Als dank kreeg hij van de bestuurder een handtekening op zijn arbeidskaart.’