Semmy & Mau van Coeverden

Lynn Straat en Karina Schmitz van het Ubbo Emmius in Stadskanaal maakten een getekend portret van Samuël “Semmy” (1920) en Maurits “Mau” (1909) van Coeverden; twee broers uit Coevorden die in 1943 vanuit Westerbork naar Vught werden gebracht en vervolgens in de zomer van dat jaar weer in kamp Westerbork terugkwamen.

Het portret door Lynn en Karina.

Semmy & Mau van Coeverden

‘In januari 1942 begon de bezetter met het verplaatsen van Amsterdamse Joden naar het noorden van Nederland. Later werden ook Joden uit bijvoorbeeld Drenthe naar dergelijke kampen gebracht. Op 16 juli kreeg ik zelf een oproep voor werkkamp De Linde, samen met 25 andere Joden uit Coevorden, waaronder mijn broer Mau. Mijn vader, die samen met mijn moeder, mij en mijn broer wegbracht zei toen tegen mijn broer: “Ik geef jou Benjamin mee en jij brengt mij Benjamin terug!” Het bleken achteraf profetische woorden te zijn. De hele familie werd vermoord, alleen mijn broer en ik kwamen inderdaad terug.

Toen we in De Linde aankwamen werd ons meteen al verteld dat we de volgende dag door zouden gaan naar kamp Westerbork, wat vervolgens ook gebeurde. De aankomst in kamp Westerbork was heel beangstigend. Een grote poort, de prikkeldraadomheining en de wachttorens versterkten ons angstbeeld. We moesten eerst naar een grote zaal voor de registratie, kregen een barak toegewezen en moesten vervolgens meteen aan het werk. Dat werk bestond er uit om rond het kamp een gracht te graven. Na een paar dagen werden de sterksten eruit gezocht om te gaan werken aan de aanleg van een spoorlijn vanaf Hooghalen naar het kamp Westerbork, zodat de groepen Joden uit de rest van Nederland meteen met de trein in het kamp konden worden afgeleverd. De aanleg van die spoorweg duurde vrij lang maar je kon het werk ook weer niet teveel traineren.

Op een dag hoorden we dat de vrouwen en kinderen vanuit Vught op transport waren gegaan. Naar later bleek naar Westerbork en vandaar naar Sobibor waar ze gelijk vergast werden. Niemand overleefde! Grote kerels in onze groep vielen bij het horen van dat nieuws als kinderen huilend op de grond. Het is niet te beschrijven wat er dan door je heen gaat.

Op 19 februari 1943 ging ik vanuit Westerbork met mijn broer en de rest van de spoorploeg naar kamp Vught. We zouden daar een spoorlijn moeten aanleggen. De werkelijkheid was dat de vrouwen en kinderen in Vught moesten blijven, terwijl de mannen naar De Moerdijk gingen om daar tankgrachten te graven onder leiding van de SS. In Vught had je een heel streng regiem en daar maakten we ook voor het eerst kennis met de Kapo’s. Dat waren de voormannen bij het werk die ons, voor wat extra eten, sloegen en mishandelden. Dat waren echte criminelen!

Op een dag hoorden we dat de vrouwen en kinderen vanuit Vught op transport waren gegaan. Naar later bleek naar Westerbork en vandaar naar Sobibor waar ze gelijk vergast werden. Niemand overleefde! Grote kerels in onze groep vielen bij het horen van dat nieuws als kinderen huilend op de grond. Het is niet te beschrijven wat er dan door je heen gaat. Op 3 juni 1943 gingen wij vanuit de Moerdijk terug naar Vught, waar we ons spiernaakt moesten uitkleden en vervolgens werden we met de flitspuit afgespoten en kregen kleding toegesmeten. We wisten niet beter of we zouden vandaar meteen naar Polen gaan, naar Auschwitz, wat een enorm zwaar werkkamp zou zijn. Wisten wij toen veel!

Het werd echter opnieuw Westerbork en daar werden we opnieuw ingeschreven en aan het werk gezet. Terwijl ik aan het werk was kwamen plotseling Zielke, een Duitse Jood, samen met zijn chef, de niet-Joodse Huisman, naar me toe en ze vroegen hoe ik heette. Dat vertelde ik en vroeg waarom ze dat wilden weten. Hij vertelde mij dat hij wist dat ik samen met mijn broer bij de spoorwegploeg had gezeten en dat er een smalspoor aangelegd moest worden vanaf het Oranjekanaal naar het kamp. Ook moest er een haventje worden gegraven en zo heb ik toen enige tijd op een baggermachine gezeten. Later, toen haventje en smalspoor klaar waren, kwamen er schepen met resten van afgeschoten vliegtuigen. Het materiaal moest gesorteerd worden in het kamp en ging vervolgens voor hergebruik naar Duitsland.

Semmy van Coeverden (l) in Vught. Collectie Nationaal Monument Kamp Vught.

De bewaking van kamp Westerbork was inmiddels sinds juni 1944 overgenomen door de zogenaamde Schalkhaarders en dat was bepaald geen verbetering! Vanaf 3 september tot en met 13 september vertrokken er nog drie transporten met in totaal bijna 3.400 mensen naar de vernietigingskampen. Op een gegeven moment moesten we in de registratiezaal komen waar we vernamen dat het kamp ontruimd zou worden. Er werd een lijst samengesteld van mensen die daarbij moesten helpen en daarop kwam de gehele spoorwegploeg, voor zover ze niet gehuwd waren, voor.

In de periode tussen het laatste transport en het uiteindelijke moment van de bevrijding hebben we gewerkt met de voortdurende angst dat er wellicht toch nog weer een trein zou komen. De laatste vier dagen voor de bevrijding, we hoorden het geschut in de verte, kwam je niet meer uit de kleren. Je wist dat je het gered had, maar ook ging het gerucht dat iedereen geliquideerd zou worden. Zover kwam het gelukkig niet en op 12 april 1945 werden we met ongeveer 900 man bevrijd door de Canadezen onder leiding van Captain Morris.

Ik heb lange tijd gezwegen over datgeen ik heb meegemaakt. Ook in het besef dat er mensen zijn geweest waarvoor de verschrikkingen nog veel erger waren en de velen die het niet hebben overleefd. Dat ik mijn verhaal nu toch vertel is omdat ik wil dat de mensen nog eens opnieuw lezen welke verschrikkingen er zijn geweest en als waarschuwing om alles in het werk te stellen te voorkomen dat ooit weer zoiets gebeurt.’