Siegfried Sommerfeld

Hij was één van de meest geprivilegieerde gevangenen in Westerbork, de Duitse jood Siegfried Sommerfeld. Als privéchauffeur van kampcommandant Gemmeker kon hij veelvuldig het kamp verlaten. Binnen kamp Westerbork werd hij door zijn brute gedrag gevreesd en buiten het kamp had hij als collaborerend handlanger van SD en SS een slechte reputatie. Dat leidde na de bevrijding tot zijn arrestatie en een stevig strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke wandaden bij het leegroven van huizen van onderduikers in de omgeving. Journalist Cees Labeur dook in de archieven voor het verhaal van én over deze bijzondere gevangene.

Siegfried Sommerfeld.

Siegfried Sommerfeld

Vlucht naar Nederland
Siegfried Sommerfeld werd op 10 maart 1900 geboren in Brunsbüttel, een klein havenstadje in de buurt van Hamburg aan de monding van de Elbe. Na de Kristallnacht in november ’38 werd zijn staatsburgerschap afgenomen en vluchtte hij naar Nederland. Een kleine gedrongen man, die ooit zijn geluk als worstelaar had beproefd, maar uiteindelijk monteur was geworden. Zijn familie, onder wie twee zusters en twee broers, bleven achter en overleefden het naziregime niet. Sommerfeld kreeg in Nederland via een Joodse hulporganisatie in eerste instantie een tijdelijk onderkomen in Amsterdam. Na een maand meldde hij zich bij de vreemdelingenpolitie en belandde hij met nog 250 andere stateloze Duitse Joden in tussentijdse opvangkampen in Hellevoetsluis en Hoek van Holland, en kwam hij op 22 april 1940 in kamp Westerbork terecht.

Chauffeur in Westerbork
Sommerfeld werd in kamp Westerbork privéchauffeur van de toenmalige commandant, de Nederlandse reservekapitein Jacques Schol. Nadat de Duitsers het kamp per 1 juli 1942 overnamen en Westerbork een Durchgangslager werd, bleef hij als chauffeur werkzaam, nu van de Duitse kampcommandanten. In eerste instantie van Erich Deppner, later van diens opvolger Josef Dischner. En in oktober 1942 werd Sommerfeld als privéchauffeur onderdeel van de uitgebreide hofhouding van Albert Konrad Gemmeker.

Begin 1943 werd Sommerfeld aangesteld als groepsleider van de garage, waaronder een eigen wagenpark van personenauto’s, een busje, een vrachtauto en een aantal dienstfietsen resulteerde. De garage lag niet ver van het huis van Gemmeker, zodat Sommerfeld wanneer nodig op afroep kon voorrijden, in een soort dienstuniform zonder Davidster. Gemmeker verklaarde daar later desgevraagd over: ‘Ik heb opdracht gegeven wanneer hij met me reed, hij zijn Daviddster moest verwijderen, want het was een beetje al te gek dat direct kon worden gezien dat ik als Duitser een Jood als chauffeur had.’

Zo kwam Sommerfeld als een van de zeer weinige gevangenen met grote regelmaat buiten het kamp, vaak met Gemmeker, maar ook zonder de commandant om in Assen en elders boodschappen te doen of bezoekers op te halen en weg te brengen. Of hij ook in de nacht van donderdag 21 januari 1943 Gemmeker naar de gruwelijke ontruiming van de Joods-psychiatrische inrichting Het Apeldoornse Bosch heeft gereden, is in de dossiers niet terug te vinden. Het kan zijn dat Gemmeker niet wilde dat zijn chauffeur van die verbijsterende taferelen getuige zou zijn en dat hij samen met Aus der Fünten in een auto van de SS naar Apeldoorn is gereden.

Door zijn vele contacten met de buitenwereld, wist Sommerfeld vaak sigaretten, eieren, chocola en andere schaarse zaken naar binnen te smokkelen. Ook slaagde hij er soms in om goederen die voor de Duitse staf bestemd waren in de garage achterover “te drukken”, zoals blikjes sardientjes en andere levensmiddelen. Die verkocht hij dan voor woekerprijzen in het kamp, waarmee hij een gehate zwarthandelaar werd. Ook al omdat hij zoals veel Duitse Joden als Alte Lagerinsassen was vrijgesteld van transport en tal van voorrechten bezat. Sommerfeld had bijvoorbeeld een eigen huisje met toilet, keukentje en tuintje.
Philip Mechanicus weet in zijn dagboek In Depot de beklemmende verhouding tussen Duitse en Nederlandse joden als geen ander neer te zetten.
‘Hier smeult het onder de oppervlakte tussen broeders van hetzelfde ras: zij kunnen elkaar niet lijden. De Duitsers hebben minachting voor hun Nederlandse kampgenoten, de Nederlanders haten de Duitse Joden, niet zó fel als zij het de Duitse nationaalsocialisten doen, maar zij haten hen dan toch, omdat zij Duitsers zijn, Pruisen. De verhouding is gecompliceerd. De Duitse Joden spelen hier de baas, precies zoals de Duitse Ariërs gewend zijn de baas te spelen daar waar zij komen.’

Al hetgeen ik gedaan mocht hebben en dat niet goed is geweest, heb ik onder dwang gedaan. Ik heb deelgenomen aan vernietigingswerk, doch moest dit uitvoeren in opdracht van de SD. Ik verzeker dat ik alles met leedwezen heb gedaan.

Goldstein
Uit de verhalen over Sommerfeld rijst het beeld van een nare man die neerkeek op de Nederlandse Joden en ze vernederde. Sommerfeld, zo werd gezegd, moest je niet tegen je in het harnas werken. Hij zou in staat zijn en de macht hebben om bijna iedere gevangene op de transportlijst te krijgen als hij dit wilde. De Duits-Joodse Alfred Goldstein was een van de mensen die jarenlang onder Sommerfeld in de garage van Westerbork werkte. In het interview dat in het kader van de Shoah Foundation van Steven Spielberg werd afgenomen, verteld Fred over Sommerfeld: ‘Dat was een hele slechte man, slechter dan de leden van de SS soms. Een schreeuwer ook. Met hem erbij waren we altijd op onze hoede. We vertrouwden hem voor geen moment.’

Goldstein verving Sommerfeld als chauffeur van Gemmeker als deze niet beschikbaar was. Beide chauffeurs hadden kennelijk zo’n goede naam dat Goldstein in het voorjaar ‘44 naar Velp werd overgeplaatst om als privéchauffeur van Ferdinand Aus der Funten te fungeren. Eenmaal stelde Fred in een overmoedige ogenblik Aus der Funten de vraag of deze wist wat er met zijn ouders in Duitsland was gebeurd, waarop de Hauptsturmführer afgemeten zei: ‘Stel me nooit dat soort vragen.’
In september ‘44 keerde Goldstein terug in Westerbork naar zijn oude post als monteur in de garage bij Sommerfeld.

Strafbarak
In december ’44 viel het doek voor Sommerfeld als beschermeling van Gemmeker. De SD had in de woning van een kruidenier in Assen, die Sommerfeld al sinds 1940 kende, koffers ontdekt waaruit werd opgemaakt dat Sommerfeld van plan was te vluchten. Zouden er nog treinen zijn vertrokken, dan was hij waarschijnlijk op de transportlijst geplaatst, nu werd Sommerfeld door Gemmeker (relatief) mild veroordeeld tot een jaar strafbarak. Dat betekende kaalgeschoren worden, een morsige overall aan en twaalf uur per dag werken in een barak waar batterijen uit elkaar werden gehaald. Na de oorlog beriep Gemmeker zich op deze strafmaatregel om aan te tonen dat Sommerfeld niet tot zijn vertrouwelingen had behoord.

Bij de bevrijding van kamp Westerbork op 12 april 1945 zat Sommerfeld nog altijd in de strafbarak gevangen. Vrij snel daarna doken er verhalen op over mogelijk wangedrag van Sommerfeld buiten het kamp. Hij zou een meer dan bedenkelijke rol hebben gespeeld bij het leegroven en in de brand steken van huizen van onderduikers in Westerbork, Assen, Beilen en Hooghalen. Dat leidde al twee weken na de bevrijding tot een verzoek van de Nederlandse commandant van het kamp, Jan Buijvoets, aan de burgemeester van Westerbork om een nader onderzoek naar de geruchten rond Sommerfeld. Hij schrijft letterlijk:

‘Aangezien vreemde geruchten de ronde doen omtrent het gedrag van een zekere Siegfried Sommerfeld, van origine Duitse Jood, vertoevende in dit kamp als chauffeur-monteur, verzoek ik u mij onverwijld dienaangaande politierapport met getuigenverklaringen te doen toekomen. Dit niet alleen inzake eventueel verleende hulp aan Duitse SS, SD of Polizei bij het leegroven en afbranden van woningen, doch eveneens inzake alle overige feiten die u voordien van deze persoon bekend werden of waarover verteld werd.’

Arrestatie en vervolging
Voortvarend ging Derk Jan Stoel, wachtmeester van de marechaussee en waarnemend hoofd van de Politieke Opsporingsdienst (POD) te Westerbork, met het onderzoek aan de gang. Hij noteerde verschillende belastende getuigenverklaringen over het optreden van Sommerfeld bij SS- en SD-plunderingen van woningen in Westerbork:

‘De vrachtauto werd bestuurd door een Duitse Jood genaamd Siegfried, afkomstig uit het Lager Westerbork. Ik heb persoonlijk geconstateerd dat Siegfried de SD in alles behulpzaam is geweest bij het wegdragen van goederen uit de woning. Tevens zag ik dat hij met een lachend gezicht liep te zwaaien met een ijzeren staaf in zijn handen en de woning binnenging. Even later hoorde ik een hevig gekraak. Ik kon zien dat Siegfried dat met welbehagen deed en dat hij niet onder pressie van de SD stond. Het gehele meubilair en ramen en deuren werden totaal vernield.’

Bij een plundering van een andere woning in Westerbork, was ook Gemmeker aanwezig. Over zijn rol wordt niets gezegd. Vermoedelijk zag hij alleen met de handen op de rug toe hoe er werd huisgehouden. Een getuige: ‘Ik herkende de mij bekende Duitse Jood Siegfried de Worstelaar. Ik zag dat hij een groot aandeel in de plundering had.’ Tijdens zijn verhoor na de oorlog lijkt Gemmeker zijn gewezen chauffeur zoveel mogelijk te willen ontlasten. Hij zegt:

‘Voor het uitrukken naar woningen in Hooghalen en andere plaatsen had de SD geen eigen vervoer. Daarom stelde ik vervoer beschikbaar en ik had Sommerfeld hierbij nodig. Hij ging dus enkel mee als chauffeur. Als hij meehielp met opladen deed hij dat als ondergeschikte en niet uit vrije wil.’

Tenslotte is er nog een verklaring van een marechaussee die Sommerfeld in Westerbork heeft meegemaakt.
‘Hij heulde in erge mate met de SD. Het was een persoon waar iedere goede Nederlander zich voor moest wachten. Door zijn kruipende houding trachtte hij in het gevlei bij Gemmeker te komen. Hij had een brute houding tegenover Nederlandse joden.’

Verklaring Sommerfeld
Al met al genoeg belastende verklaringen voor de POD om Sommerfeld begin mei ‘45 te laten arresteren en van Westerbork te laten overbrengen naar het Huis van Bewaring in Assen. Op vijf september werd hij in afwachting van nader onderzoek vrijgelaten en vertrok hij naar Amsterdam waar hij op driehoog in de Waalstraat een onderkomen vond. Daar werd Sommerfeld op verzoek van het parket Bijzondere Rechtspleging Assen op 4 november 1945 weer aangehouden en overgebracht naar het speciale arrestantencentrum voor politieke delinquenten aan de Da Costa straat. Sommerfeld werd er verhoord door politieman K. Fontijn, waarbij hij voor het eerst zelf aan het woord over zijn rol bij de plunderingen kwam:

‘Ik was beangst voor de Duitsers en deed daarom alles wat ze me opdroegen. Ik had reeds twee zusters en twee broers verloren. […] Ik ben als chauffeur mee geweest naar verschillende huizen waar arrestaties werden verricht en goederen werden meegenomen. Daar deed ik niet aan mee. Wel heb ik soms geholpen enige goederen die naar buiten waren gebracht op de vrachtauto te zetten. Ik was het niet eens met deze Duitse daden.’

Zijn verklaring kon uiteindelijk niet verhinderen dat Sommerfeld onder arrest bleef. Ruim een half jaar later, in mei ’46, werd hij naar het huis van bewaring in Assen teruggestuurd. Daar zat hij een tijdlang vast zonder dat er veel in zijn zaak gebeurde. Een onderzoek naar een beschuldiging dat hij een NSB-meisje had verkracht in het naoorlogse kamp Westerbork, werd niet nader ter hand genomen. De POD en andere instanties hadden belangrijkere zaken aan het hoofd dan het verwerpelijke gedrag van “kleine vis” Sommerfeld.

Op 24 september 1946 werd Sommerfeld voor een tweede keer aan de tand gevoeld, dit keer door een wachtmeester van het Bureau Opsporing Oorlogsmisdadigers, die nog meer belastende getuigenverklaringen over hem had opgetekend. Sommerfeld gaf tijdens het verhoor enigszins toe aan de beschuldigingen.

‘Al hetgeen ik gedaan mocht hebben en dat niet goed is geweest, heb ik onder dwang gedaan. Ik heb deelgenomen aan vernietigingswerk, doch moest dit uitvoeren in opdracht van de SD. Ik verzeker dat ik alles met leedwezen heb gedaan. Door mijn positie kon ik niet anders handelen. Mocht ik daarvoor gestraft moeten worden, dan geloof ik dat ik die straf al rijkelijk gehad heb. Sinds ’38 ben ik van mijn vrijheid beroofd en is mijn hele familie door de Duitsers vermoord. Dat is het allerergste.’

Vonnis
Enkele maanden later liet de officier-fiscaal van het Bijzonder Gerechtshof Leeuwarden op 19 november 1946 via het parket Assen weten dat er van verder vervolging van Sommerfeld werd afgezien. Op 13 november 1946 kreeg Siegfried Sommerfeld een zogeheten voorwaardelijke buitenvervolgstelling met een proeftijd van drie jaar opgelegd en werd hem aangezegd dat hij zich als goed Nederlander diende te gedragen. Sommerfeld moest zich onder toezicht stellen van de stichting Politieke Delinquenten, hij mocht voor tien jaar geen ambt bekleden, dienen bij de gewapende macht en kiezen of gekozen worden.
Na zijn vrijlating op 13 november 1946, de dag van het vonnis, vertrok Sommerfeld naar Amsterdam en vond hij een kamer op de Van Lennepkade.

Op 30 november 1946 is in het strafdossier van Siegfried Sommerfeld in het Nationaal Archief een laatste teken van leven te vinden. Hij heeft kennelijk een aanvraag voor “steun” gedaan bij het “Districtsbureau” voor de verzorging van oorlogsslachtoffers ‘ en die instantie vraagt op haar beurt bij Justitie om nadere inlichtingen over Sommerfeld, omdat hij zo lang heeft vastgezeten. Op 21 januari 1947 antwoord de politieke recherche dat de vraag in behandeling is genomen. Hoe dat verder is afgelopen, is een open vraag. En wat Sommerfeld verder is gaan doen met zijn leven is ook niet meer te achterhalen. Hij kan naar Duitsland zijn teruggekeerd , maar meer waarschijnlijk is dat hij naar Amerika is vertrokken.