Siegmund Henri Meijler

Els van Rijn-Zandstra onderzocht het leven van Siegmund Henri Meijler (1918), een Joodse student die in de onderduik lange tijd uit kamp Westerbork weg wist te blijven. Tot stand gekomen met dank aan Bert Wolfkamp van de Rijksuniversiteit Groningen en mevrouw Sophia H.S. Nevenzeel-Meijler.

Siegmund Meijler (r) met zijn broer en zus.

Siegmund Henri Meijler

‘Vriezenveen 16 juni

Waarde Heer en Mevr. Meindertsma,

Misschien herinnert u zich nog “Barend Bischoff”, een Joods student, die indertijd enige dagen bij U logeerde. Na in vrijheid te zijn wil ik U nog hartelijk danken voor Uw goede zorgen van toen. Wij waren er allen goed afgekomen, maar 9 mei j.l. verongelukte mijn 29 jarige broer door een Canadese auto en mijn vader heeft vorige week een zware operatie ondergaan, maar maakt het nu tamelijk goed. Wilt u ook de persoon, die ons destijds waarschuwde dat de politie in aantocht was (Oosterhuis uit Ulrum als ik mij niet vergis) nog heel hartelijk danken uit mijn naam.
A.s. herfst denk ik mijn studie te Groningen voort te zetten, dan hoop ik U ook eens te komen bezoeken. Is die jongen uit Arnhem nog bij U. Ook voor hem mijn hartelijke groeten.
Weest Uzelf hartelijk gegroet en tot ziens,

Siegmund Meijler’

Siegmund Henri Meijler, student medicijnen aan de Universiteit van Groningen. Afkomstig uit Vriezenveen, een plaats waar generaties Meijler geboren werden en opgroeiden. Hij is het derde kind uit een Joods gezin met vier kinderen waarvan vader, Levie Salomon Meijler, slager en veehandelaar is. Moeder, Ida Katz, is een Duitse. De ouders zijn niet belijdend Joods, wel leeft het gezin met de Joodse tradities en in een Joodse gemeenschap. Als Jom Kipoer, een belangrijke Joodse feestdag, op vrijdag valt, gaat vader Meijler niet naar de veemarkt in Leeuwarden; hij blijft thuis, zich verbijtend dat er die dag geen geld verdiend wordt. De oudste zoon, Hartog, treedt in zijn voetsporen; hij wordt koopman en slager. Het tweede kind, Siegfried Henri, overlijdt met zes weken aan de Spaanse griep. Het vierde en laatste kind, 14 jaar jonger dan Siegmund, is een meisje, Sofia Hanna Setta.
Siegmund Henri gaat studeren.

Vanaf 9 oktober 1935 staat Siegmund ingeschreven bij de faculteit geneeskunde. Hij is in de kost bij de familie Goslinski. Siegmund is lid van de Groningse afdeling van de Nederlandse Zionistische Studenten Organisatie, een niet-religieuze club van zo’n twintig Joodse studenten, die zich verdiept in Zionisme, Jodendom en onder meer psychologie, psychiatrie en antisemitisme. Er worden referaten gehouden, er wordt gediscussieerd.
In september 1938 en april 1939 doet Siegmund zijn Kandidaatsexamens.
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog is hij 21 jaar oud en vijfdejaars student.
Het nazi-regime krijgt al gauw invloed op de universiteit. De Joodse hoogleraar en vrijdenker Leo Polak wordt in november 1940 geschorst. In 1941 wordt NSB-er Von dem Borne benoemd tot hoogleraar. Als deze zijn inaugurele rede zal houden, roepen zes studenten op tot een boycot, onder wie Siegmund. Zij worden gearresteerd en in het Huis van Bewaring in Groningen gevangen gezet. Siegmund wordt naar Kamp Amersfoort overgebracht, waar hij ruim een half jaar gevangen zit. Op de verjaardag van Hitler, 20 april 1942, krijgt een aantal gevangenen, ook Siegmund, gratie. Toegang tot de universiteit heeft hij dan niet meer. Twee van de protesterende studenten, waaronder de dochter van Leo Polak, zullen overlijden in concentratiekampen.

Siegmund in zijn jonge jaren.

De greep van het nazi-regime laat zich meer en meer voelen als een wurggreep.
In februari 1942 liquideert de overheid het bedrijf van Siegmunds vader en diens broer Salomon Gerson. Ze worden gedwongen hun weidegrond te verkopen. Verplicht openen ze een rekening bij de bank Lippmann, Rosenthal & Co., waarop de koper de opbrengst stort, waarna de rekening voor hen onbereikbaar is. Hun liggende gelden zijn ook deze weg gegaan. Zo berooft het nazibewind hen van hun geld, van hun bedrijf en van hun grond.
Half 1942 komen de deportaties op gang.
Siegmund heeft op enig moment een vals persoonsbewijs op de naam Barend Bischoff bemachtigd en hij duikt onder. Sijbe Meindertsma en Julianna Meindertsma-Diénes bieden hem enige dagen onderdak in hun huis in Oudeschans. Ook duikt hij onder in Beerzerveld en Winsum. Hoeveel bedankbrieven Siegmund heeft kunnen schrijven weten we niet.
In maart 1945 wordt hij opgepakt en via het Huis van Bewaring in Groningen naar kamp Westerbork gebracht. Opvallend is dat hij daar niet als strafgeval geregistreerd wordt, zoals met opgepakte onderduikers gebeurde. Hij verleent medische diensten in de ziekenbarakken. Het loopt tegen het einde van de oorlog; de angstaanjagende transporten zijn al enige tijd voorbij.

Siegmund vindt zijn draai niet meer; hij kan niet voldoen aan de eisen die het leven aan hem stelt. Ook de medeverantwoordelijkheid voor zijn zusje kan hij niet dragen. Hij lijdt aan depressies.

Op 12 april maakt Siegmund de bevrijding van het kamp mee. Op 10 mei vertrekt hij uit Westerbork; als bestemming geeft hij Winsum op, een van zijn onderduikadressen.
Zijn broer Hartog met zijn vrouw overleven de oorlog door onder te duiken, evenals zijn ouders met zijn zusje Sophia. De dag voordat Siegmund uit Westerbork komt, verongelukt zijn broer door een aanrijding met een Canadese legertruck.
Zijn vader zal, na de zware operatie in juni, op 11 juli 1945 sterven.
De broer en compagnon van vader en diens vrouw overleven Auschwitz niet.
Het zijn grote verliezen die Siegmund, zijn moeder en zijn zusje na de oorlog met de traumatische onderduik, te verwerken krijgen.
Siegmund moet zijn vader en zijn oudere broer missen; hij voelt zich verantwoordelijk voor zijn moeder; hij wordt toeziend voogd over de 12-jarige Sophia.

Siegmund hervat zijn studie in Groningen. Zijn Doctoraal I staat geregistreerd op 26 september 1941. Hij doet zijn Doctoraalexamen II op 28 maart 1946. Misschien zijn zijn moeder en zusje bij de plechtige uitreiking van de bul aanwezig. Ze zullen trots geweest zijn.
Echter, hij maakt zijn studie niet af; later geeft hij daarvoor als reden, niet tegen bloed te kunnen. Hij vertrekt naar Amsterdam en later naar Leiden om psychologie te studeren. Deze studie zal hij evenmin afmaken.
Siegmund vindt zijn draai niet meer; hij kan niet voldoen aan de eisen die het leven aan hem stelt. Ook de medeverantwoordelijkheid voor zijn zusje kan hij niet dragen. Hij lijdt aan depressies. Hij woont in Amsterdam, Oegstgeest, Utrecht en Groningen; tussendoor verblijft hij korte periodes bij zijn moeder in Vriezenveen en later in Almelo. Siegmund wordt enige keren opgenomen in de Sinaï-Kliniek, een Joods psychiatrisch ziekenhuis in Amersfoort.
In 1966 sterft hij daar ten gevolge van verwaarloosde darmkanker. Hij is 48 jaar geworden.
Zijn lichaam wordt begraven op de Nederlands Israëlitische begraafplaats in Almelo.