Simon & Rika de Beer

Hoeveel kostte het transport van de Joodse inwoners de gemeente Hoogezand-Sappemeer? En wat “verdiende” de gemeente eraan? En ten slotte: hoe ging de gemeente om met “onverwacht” teruggekeerde overlevenden uit de concentratiekampen?

Een naoorlogs huwelijk van de familie de Beer. Staand van links als negende en tiende zijn Simon en Rika de Beer.

Simon & Rika de Beer

Na het vertrek van de laatste Joden begon de gemeente Hoogezand in het najaar van 1943 aan de afhandeling van de administratie rond de deportatie en de verdeling van bezittingen die de Joodse inwoners achtergelaten hadden. De kosten voor het transport van de afgevoerde Joden, zo berekende de gemeente, lagen op f. 27,15; voor het ontruimen van de woningen hadden de inwoners van Hoogezand gezamenlijk f. 138,16 betaald. De bewaring, opslag en bewaking van de achtergelaten spullen hadden de gemeente daarentegen niets gekost, aldus een verheugde burgemeester en gemeentesecretaris in een brief aan het departement van Binnenlandse Zaken.

De deportatie had zelfs geld opgeleverd. Een achtergebleven motor bracht bij verkoop f. 150,- op, een bedrag dat net als ruim 200 gulden aan gevonden contant geld in de gemeentekas werd gestort.

Simon de Beer, zittend rechts.

In de leegstaande synagoge aan de huidige Rembrandtlaan zag de gemeente Hoogezand eveneens een mooie bron van inkomsten. Aan de Niederländische Grundstückverwaltung was al in december 1942 het verzoek gericht of de gemeente het pand mocht kopen. De vraag was doorverwezen naar het Algemeen Nederlandsch Beheer, die het gebouw op 5 maart 1943 op haar naam liet overschrijven. Op 16 november 1943 verkocht deze beheersmaatschappij de synagoge aan metaalfabrikant De Haan uit Hoogezand, die er f. 6000,- voor betaalde. De gemeente viste dus achter het net zonder dat men daarvan op de hoogte werd gesteld: begin 1944 had de gemeentesecretaris nog altijd geen antwoord op de in 1942 gestelde vraag gekregen.

De deportatie had zelfs geld opgeleverd. Een achtergebleven motor bracht bij verkoop f. 150,- op, een bedrag dat net als ruim 200 gulden aan gevonden contant geld in de gemeentekas werd gestort.

Ten derde leverden de lege woningen van de weggevoerde Joden de gemeente geld op. In overleg met de Beauftragte van de Rijkscommissaris in de provincie Groningen werden de meeste huizen aan particulieren verhuurd.

Toen Simon de Beer (1893) en zijn vrouw Heika “Rika” de Beer-van der Bergh (1901) in mei 1945 uit kamp Westerbork naar Hoogezand terugkeerden troffen zij een politieagent in hun huis aan de Zuiderlaan 27 aan. Veekoopman en aardappelenhandelaar De Beer behoorde voor de oorlog tot de welgestelde Joden van Hoogezand. Gedurende een lange periode was hij penningmeester in het bestuur van de kerkelijke Joodse gemeente tot hij in augustus 1942 naar Westerbork werd overgebracht. Rika werd twee maanden later naar het kamp weggevoerd.

De uit Sappemeer afkomstige Hendrik Kortholt, destijds nog een tiener, kan zich ruim zeventig jaar later aardappelkoopman De Beer nog goed voor de geest halen. ‘Samen met mijn vader kwam ik regelmatig op de handelsplekken waar ook Simon de Beer was. Door zijn voorkomen, hij zag er altijd netjes gekleed uit, en zijn uitstraling maakte hij grote indruk op mij. Hij kon ook uitermate goed onderhandelen; wist altijd de beste prijs voor zichzelf eruit te halen. Hij was één van de belangrijkste aardappelhandelaren in die tijd in Hoogezand en Sappemeer.’  

Vanwege zijn uitgebreide kennis van aardappelen en zijn handelsachtergrond, wist Simon in kamp Westerbork zijn eigen en Rika’s naam ruim tweeënhalf jaar van de transportlijst te houden. Als chef van de aardappelkelder was hij verantwoordelijk voor de aankoop en opslag van alle aardappelen, de belangrijkste voedselbron van de gevangenen.

De aardappelkelder in kamp Westerbork, 1942.

Na hun terugkeer in Hoogezand konden Simon en Rika zich niet echt over hun redding verheugen. Van de 200 Joden die voor 1940 in Hoogezand woonden, overleefden slechts 15. De teruggave van het huis en de tenietdoening van de verkoop van de synagoge (die Simon vervolgens zelf met grote winst wist te verkopen) ten spijt, had het leven na 1945 voor Simon en Rika zijn glans verloren.

Hendrik Kortholt: ‘Simon’s kinderen, Abraham (1925) en Maurits (1922) hebben de oorlog niet overleefd. Zij zijn over het spoortraject Groningen-Nieuweschans, langs Hoogezand en Sappemeer, naar Auschwitz weggevoerd. Ik woonde in die jaren met mijn familie langs het spoor en moet de kinderen van Simon onbewust hebben gezien, afgevoerd op weg naar hun einde.’ 

Simon en Rika de Beer zouden hun hele leven in Hoogezand blijven wonen. Simon overleed in 1976, zijn vrouw Rika in 1996.