Simon & Saapke Prins

Op 19 mei 1944 vertrok er een transport met bijna 700 personen uit kamp Westerbork. Op dezelfde dag werden Simon Prins (1910) en Saapke Prins-van Rood (1908) het kamp binnengebracht. Zij zouden tot de bevrijding in Westerbork blijven. Oud-geschiedenisdocent Hans Piek verteld.

Westerbork, 19 mei 1944.

Simon & Saapke Prins

Saapke Rood, verpleegster, en Simon Prins, diamantbewerker en trambestuurder, trouwden toen Nederland al bezet was door Duitsland, op 24 augustus 1940.

Simon was de broer van Martijn en Salomon Prins. Salomon, die zich vanaf 1936 Lodewijk noemde en afstand deed van zijn Joodse afkomst, werd na de oorlog een vooraanstaand Nederlands schaker. De broers groeiden op in een middenstandsgezin waar vader Prins als koopman in manufacturen de kost verdiende. Nadat Joseph Prins in 1922 overleed, probeerde moeder Schoontje Briska rond te komen door kamers te verhuren in hun huis aan het Sarphatipark.

In de loop van de Tweede Wereldoorlog doken Simon en Saapke Prins onder. In de buurt van Den Haag werden beiden in voorjaar van 1944 opgepakt en naar de gevangenis in Scheveningen, het beruchte Oranjehotel gebracht. Op 19 mei 1944 werd het stel naar kamp Westerbork gedeporteerd waar ze als onderduikers in de strafbarak werden geplaatst. Hier ontmoetten ze Simon’s moeder en broer Martijn die eveneens in de onderduik waren verraden.

Of Simon en Saapke Prins iets van de commotie op 19 mei hebben meegemaakt, is niet duidelijk.

Op de dag dat Simon en Saapke in kamp Westerbork aankwamen, vertrok er een transport op weg naar het Oosten. Ongeveer 250 Joodse kampgevangenen werden naar het uitwisselingskamp Bergen-Belsen weggevoerd, 450 anderen kwamen drie dagen later in Auschwitz-Birkenau aan. Tot deze laatste groep behoorden 245 Sinti en Roma die enkele dagen ervoor in Westerbork verzameld waren. Het transport van 19 mei werd met toestemming van commandant Albert Konrad Gemmeker door kampfotograaf Rudolf Breslauer op film vastgelegd. Of Simon en Saapke Prins iets van de commotie op 19 mei hebben meegemaakt, is niet duidelijk.

Dat Saapke en Simon in tegenstelling tot moeder Schoontje en Martijn, de Tweede Wereldoorlog wisten te overleven, heeft er waarschijnlijk mee te maken dat het stel zich voor de oorlog had laten dopen en daardoor een voorlopige vrijstelling van transport kreeg. Hoewel zulke vrijstellingen in de regel geen enkele lange termijn garantie gaven – velen voor hen hadden ooit een voorlopige vrijstelling gehad en waren vroeg of laat alsnog op transport gesteld – konden Saapke en Simon in Westerbork achterblijven. Op 18 juni 1945 mochten beiden kamp Westerbork verlaten.