Tom Gomperts

Oud-geschiedenisdocent Hans Piek schreef een portret over Tom Gomperts die in maart 1945 na twee jaar onderduik alsnog in Westerbork terecht kwam. Met dank aan Tom Gomperts zelf.

Tom Gomperts.

Tom Gomperts

‘Mijn verhaal is niet interessant, belangrijk zijn de mensen die mij hielpen.’

Tom Gomperts, geboren in 1936, benadrukt dit een paar keer tijdens zijn verhaal dat hij op een mooie herfstmorgen in 2016 in Den Haag vertelt. Thomas Gomperts was één jaar toen zijn ouders in 1937 van Lübeck naar Nederland emigreerden. Ze voorzagen dat het niet goed zou gaan in Duitsland waar de nazi’s sinds 1933 aan de macht waren. De vader van Tom, Hans Gomperts, geboren in 1907 in Breslau, had de Nederlandse nationaliteit omdat diens vader Nederlander was. De moeder van Tom, Käte Meyer, was Duitse, geboren in 1909 in Lubeck.

Tom kwam met zijn ouders in de Speerstraat in Amsterdam te wonen. Daar waren ze de directe buren van de familie Heeresma. Vader Heeresma was theoloog en godsdienstleraar, de schrijver Heere Heeresma was één van zijn zonen. ‘Als ik een vuilnisemmer gebruikte om op te staan kon ik over het schuttinkje klimmen tussen onze twee balkons op de eerste etage van de Speerstraat nummer 5 en 7′, zegt Tom. ‘Die straat ziet er nog precies zo uit als toen – de woningen in de President Brandstraat in Amsterdam Oost, waar we in 1942 naar toe moesten verhuizen zijn ondertussen opgeknapt en zien er wat anders uit.’ Die verhuizing was niet vrijwillig: het was een onderdeel van de anti-Joodse maatregelen, Joden werden verplicht in bepaalde delen van de stad te gaan wonen.

Tom herinnert zich die eerste jaren van de oorlog niet als akelig. Het verschijnen van overvalwagens in de President Brandstraat om andere Joden weg te halen is hem wel bijgebleven als een angstige ervaring. Hij en zijn ouders werden (nog) niet van huis gehaald, maar een medewerker van de speeltuin tegenover de woning aan de President Brandstraat raadde wel aan om Tom naar een veilige plek te laten gaan. Tom: ‘Mijn ouders hebben mij – hun enige zoon – weggestuurd. Wat een vooruitziende blik en wat een moed!’

En zo verliet Tom op een zondagochtend de woning aan de President Brandstraat. Hij werd opgehaald door ‘een meneer’ en met een beertje tegen zijn borst geklemd op de plek waar een Jodenster zou moeten zitten reisde hij, vermoedelijk met tram en trein, naar Apeldoorn. Daar werd hij opgenomen door Martha en Gerrit Glimmerveen die aan de Sprengenweg woonden. Dit echtpaar had al vier onderduikers in huis: Lucien de Leeuw met zoon en Hartog Bohemen, ook met zoon. Vader en zoon Bohemen heeft Tom overigens nooit gezien: zij bivakkeerden op zolder.

Tom voelde zich thuis bij de Glimmerveens, een christelijk echtpaar. Hij mocht buiten spelen, ging pootje baden, wat eigenlijk niet mocht, in een water tegenover het huis, en ging in de winter sleeën met een vriendinnetje. En zo werd het maart 1945. Het einde van de oorlog was in zicht en toch ging het mis. Begin maart werden de onderduikers en het echtpaar Glimmerveen uit huis gehaald. Tom Gomperts: ‘Dat was heel naar, ik hoorde de Duitse soldaten stampend de trap naar mijn zolderkamer opkomen om mij mee te nemen.’

De onderduikers werden met voertuigen naar de Willem III kazerne in Apeldoorn gebracht. Tom zat in de Duitse wagen op schoot bij een Duitse officier, wat hem enigszins gerust stelde. ‘Ik was toen niet meer zo bang’, herinnert hij zich. Hij werd met tante Martha (mevrouw Glimmerveen) op de vrouwenzaal in de Willem III opgesloten. Gerrit Glimmerveen werd naar de gevangenis in Scheveningen gebracht.

Na achttien dagen werden Tom, vader en zoon de Leeuw en de Bohemens naar Westerbork gebracht. Hans Bial schrijft op 4 april 1945 in zijn dagboek “Briefe an Hetty” over Tom. ‘Dann stelle ich noch die Identität des 8-jährigen Tommy Gomperts fest, dessen Eltern am 11.1.’44 als Palästina-Kunden von hier nach B.B. gegangen sind; ein süsser Kerl, der mir gleich erzählt dass er es hier viel ‘gezelliger’ findet als im Gefängnis in Apeldoorn, wo er 18 Tage gesessen hat und wo es nur 4 Schnitten Brot pro Tag gab. Was muss sich in so einer Kinderseele abspielen: Gefängnis, dann auch von der Pflegemutter getrennt ohne einen bekannten Menschen hierher?’

‘Ik vraag me nog steeds geregeld af hoe ik zelf gereageerd zou hebben wanneer mij gevraagd zou worden om – met levensgevaar – onderduikers op te nemen. Ik weet het echt niet. Wel weet ik: wat Martha en Gerrit Glimmerveen gedaan hebben – en vele anderen – is echt iets ongelooflijk moedigs, waar ik uitermate veel respect voor heb. Ik ben een gelukkig en dankbaar mens!’

Tom sliep in het kinderweeshuis in kamp Westerbork en herinnert zich geen gevoel van gevaar. Wel dat hij, na de bevrijding van het kamp op 12 april, ‘vaak met een soort kar op de spoorrails bij het kamp speelde.’ Ze wisten in Westerbork na de oorlog niet goed wat ze met Tom aan moesten; hij was er zonder ouders aangekomen. Zijn ouders hadden wel in Westerbork gezeten, maar toen Tom daar aankwam waren zij allang weg. In januari 1944 gingen ze op transport naar Bergen-Belsen.

Beide ouders overleefden, moeder Käte werkte in Bergen-Belsen in de keuken en zat in wat genoemd wordt ‘Der verlorener Zug’, een trein die op 11 april 1945 gevangenen uit Bergen-Belsen naar Theresienstadt moest vervoeren maar dagenlang tussen de fronten bleef rondzwerven. Op 23 april werden de inzittenden door de Russen bevrijd bij de stad Tröbitz. Uiteindelijk heeft Lucien de Leeuw, ook ondergedoken bij de familie Glimmerveen, Tom naar Amsterdam gebracht en bij een oom en tante afgeleverd.

Tom herinnert zich dat zijn moeder op een gegeven moment ‘opdook’. Hij zag haar voor het eerst bij de kruidenier op de hoek van de Speerstraat waar zijn oom en tante vlakbij woonden. Zij had een doek om haar hoofd: ze had zich kaal laten scheren vanwege de luizen. Het was wennen- ook voor z’n moeder, denkt Tom – na twee jaar scheiding van haar en Martha Glimmerveen als vervangende moeder. Gerrit en Martha Glimmerveen overleefden hun gevangenschap. Tom ging er na de oorlog geregeld op bezoek, later ook met zijn vrouw en kinderen.

Het huwelijk tussen Hans Gomperts en zijn vrouw, Käte Meyer, hield geen stand: ze scheidden in 1946. Tom bleef bij zijn moeder wonen. In 1947 trouwde Käte met Günter Weishut, die in 1937 uit Hamburg gevlucht was en in Den Haag woonde. Hij was in 1948 tot Nederlander genaturaliseerd. Voor de oorlog had hij een zaadhandel in Hamburg en was, nadat hij in Nederland was aangekomen, begonnen als tussenpersoon in de zaadhandel. Dat werk pakte hij na de oorlog weer op. Günter had een zoon, Peter, uit zijn eerste huwelijk en het gezin, in de nieuwe samenstelling, woonde in Den Haag. Het was even wennen voor Tom, die veel vrijheid gewend was: Günter Weishut trok de teugels wat aan. ‘Maar hij was een echte, liefhebbende vader voor mij’, zegt Tom als we het over zijn opvoeding hebben.

Tom ging in 1949 naar de HBS en haalde in 1954 zijn eindexamen. De “zaadhandel” leek hem wel leuk: de eerste fase van zijn opleiding was anderhalf jaar bij van der Have Zaden in Kapelle in Zeeland totdat hij in 1956 in dienst ging. Daarna – vanaf begin 1958 – vervolgde hij zijn opleiding bij verschillende buitenlandse firma’s. Vanaf januari 1961 werkte Tom in “de zaak” van zijn stiefvader. Kortgeleden vierde hij dat hij vijfenvijftig jaar in zijn eigen bedrijf aan het werk is.
‘Want het werk is nog steeds leuk en houdt mij jong!’, zegt hij met een twinkeling in zijn ogen.

Tom woont nog steeds in Den Haag, dat hij, toen hij daar in 1947 ‘als Amsterdams schoffie’ kwam wonen, niet echt leuk vond, is getrouwd en heeft twee dochters en twee kleinkinderen. Het oudste kleinkind heeft als tweede naam Martin, naar Martin Meyer, de grootvader van Tom. Het doorgeven van die naam is als het ware het bevestigen van een continuïteit in de familie, met name die van Käte’s kant. Aan het eind van het gesprek zegt Tom: ‘Ik vraag me nog steeds geregeld af hoe ik zelf gereageerd zou hebben wanneer mij gevraagd zou worden om – met levensgevaar – onderduikers op te nemen. Ik weet het echt niet. Wel weet ik: wat Martha en Gerrit Glimmerveen gedaan hebben – en vele anderen – is echt iets ongelooflijk moedigs, waar ik uitermate veel respect voor heb. Ik ben een gelukkig en dankbaar mens!’