Trude Heynemann

Oud-geschiedenisdocent Hans Piek schreef een bijzonder portret over Trude Heynemann die in de jaren dertig uit Duitsland naar Nederland vluchtte. Een ‘lieve’ en ‘zeer plezierige vrouw’, aldus Frits Barend en Eva Schloss-Geiringer.

De bevrijding van kamp Westerbork.

Trude Heynemann

‘Trude verstopte regelmatig een stuk brood ergens bij de wasplaats, bestemd voor mijn moeder’, vertelt Frits Barend over Trude Heynemann. ‘Zij vond dat mijn moeder daar meer recht op had, want ze had een kind’, vervolgt hij. Frits is de jongste zoon van Betty Barend-van der Kar die net als Trude de bevrijding van kamp Westerbork op 12 april 1945 meemaakte. Ze liepen samen de bevrijders tegemoet, al konden ze het haast niet geloven.

Trude Heynemann werd geboren in de Duitse stad Göttingen. Ze was de dochter van Oscar Heynemann en Lina Heynemann-Löwenstein. Trude was één van de vele Duitse Joden die vanaf 1933, toen de nazi’s in Duitsland de macht hadden overgenomen, naar Nederland vluchtten. Haar oudere broer Walter, geboren in 1901, was haar voorgegaan: hij kwam in 1933, Trude volgde in 1936.

Walter woonde in 1933 kort bij de familie van Collem aan de Stadhouderskade in Amsterdam. Dit gezin ving veel Duitse vluchtelingen op en had de bijnaam ‘Hotel van Collem’. Henri van Collem was een oom van Walter, die al snel, nog in 1933, een eigen woning aan de Churchilllaan 83 II (voor de oorlog Noorder-Amstellaan) vond. Toen Trude in Amsterdam aankwam ging ze inwonen bij haar broer, schoonzus Else en nichtje Liesel. Ook Liesel zat in Westerbork en werd daar op 12 april bevrijd.

Trude was aanvankelijk kantoorbediende en werd later inwonende hulp in de huishouding bij de familie Speelman die op Molenbeekstraat 28 woonde. Op nummer 26 II, in het zelfde portiek, woonde Betty van der Kar met haar ouders en zus. En zo leerde Trude Betty kennen; het klikte tussen hen.

In de oorlog was Trude evenals haar broer werkzaam voor de Joodse Raad. Ze zat in de laatste groep Joden die uit Amsterdam werden weggevoerd. Vanuit het kamp bleef ze schrijven met de familie van der Kar. In die brieven waarschuwde ze, op een heel voorzichtige manier, leden van de familie. In het boek Matzes en Mie schrijft de schoondochter van Betty van der Kar, Marijke Barend-van Haeften, hoe Trude in een brief aan haar grootvader schreef om ‘examen te doen’, geheimtaal voor ‘ga onderduiken’. In een andere brief schreef ze aan Mary, de zus van Betty, dat ze hoopte dat Mary niet naar Westerbork zou komen. Ook schreef ze vragend over Betty, haar man en hun zoontje: ‘Blijven zij in Amsterdam of gaan ze naar Reina? Ik raad het dan aan.’ Reina was Reina Speelman, die inmiddels ondergedoken was.

Trude raadde dus aan om ook onder te duiken. Dat deden Betty en haar man: ze vertrokken met hun zoontje naar Friesland waar ze een veilig heenkomen wisten te vinden. In maart 1945 ging het alsnog mis: bij een razzia werd Betty opgepakt en naar Westerbork gestuurd. Er gaan dan geen treinen meer naar ‘het Oosten’, maar de mensen die nog in het kamp zaten wisten natuurlijk niet dat dit definitief zou zijn. In Westerbork ontmoette Betty Trude weer en hielp Trude Betty de laatste weken door.

In een andere brief schreef ze aan Mary, de zus van Betty, dat ze hoopte dat Mary niet naar Westerbork zou komen. Ook schreef ze vragend over Betty, haar man en hun zoontje: ‘Blijven zij in Amsterdam of gaan ze naar Reina? Ik raad het dan aan.’ Reina was Reina Speelman, die inmiddels ondergedoken was.

Op 28 juni 1945 verliet Trude Westerbork, ruim twee maanden na de bevrijding van het kamp. Het duurde even voor de verbindingen in Nederland weer enigszins op orde waren en bovendien werden alle nog in het kamp verblijvende mensen onderzocht op hun houding tijdens de oorlog.

Trude gaat naar Amsterdam bij haar broer en schoonzus wonen: die wonen nog op het zelfde adres.
Daarna woont ze van 1947 tot 1950 weer aan het Merwedeplein, maar nu op nr. 46 I. Ze woont dan in bij Elfriede Geiriger, wier man vermoord werd in Mauthausen en wier zoon in mei 1945 overleed aan uitputting ergens in Duitsland. Haar dochter, Eva, overleefde en trouwde met Zvi Schloss. Elfriede hertrouwde in 1952 met Otto Frank. Eva Schloss herinnert zich Trude nog: ‘Een zeer plezierige vrouw’, vertelt ze. ‘Moeder verhuurde de grote slaapkamer aan haar, maakte haar ontbijt en soms ook het avondeten.’ Verder weet ze zich nog te herinneren dat Trude bij een uitgeverij werkte.

In januari 1953 wordt in het Staatsblad de naturalisatie van Trude afgekondigd. De argumentatie: ‘Ze woont hier al sinds 1936 en voelt zich thuis.’ En, waarschijnlijk niet onbelangrijk: ‘Zij voorziet als huishoudster in haar onderhoud.’

In de periode na 1945 hield Trude contact met de familie Barend, ze ontmoetten elkaar onder andere bij verjaardagen. Ze had bij de familie Barend aanzien, mede ook door haar hulp aan Betty in kamp Westerbork. Frits Barend: ‘Ze was een lieve vrouw die goed voor ons was, ze hoorde erbij.’

In 1960 verhuist Trude naar de Jekerstraat en woont bij Willem en Margaretha Muller. Als haar broer Walter in 1959 overlijdt gaat ze bij haar schoonzus Else wonen. Ze keert dan opnieuw terug naar de Churchilllaan.
Maar daar blijft ze niet lang: al in oktober 1960 verhuist Else naar Minervalaan 113, een dan nieuwe ruime woning onder architectuur gebouwd, en Trude verhuist met haar mee.

In 1978 verlaat Trude haar schoonzus en gaat in Overwhere in Purmerend wonen, tot ze op 16 Sjewat 5740 (3 februari 1980) overlijdt. Ze wordt begraven op Gan HaSjalom (Tuin van de Vrede) in Hoofddorp.