Ulrich Kerner & Bertie Visser

Nadesche Elzen en Irene Kooistra van de Ubbo Emmius Scholengemeenschap uit Stadskanaal stelden op basis van historische bronnen een fictief dagboekfragment samen van de in Westerbork bevrijde Bertie Visser. Bertie trouwde na de oorlog met Ulrich Kerner, een Joodse vluchteling die eveneens in kamp Westerbork werd bevrijd.

Ulrich Kerner.

Ulrich Kerner & Bertie Visser

Op 28 maart 1940 betrad Ulrich Kerner kamp Westerbork. Geboren in 1911 in Folwarki Male, een plaats in het huidige Oost-Polen, vertrok Kerner vanuit Oostenrijk aan het einde van de jaren dertig naar Nederland. Via korte verblijven in onder andere kampen in Hoek van Holland en Reuver, kwam hij in Westerbork terecht.

Bij zijn inschrijving in kamp Westerbork werd aan Ulrich Kerner naar zijn beroep gevraagd. ‘Chauffeur’ en ‘bouwvakker’ luidden zijn antwoorden. Wat Uli Kerner niet vertelde was dat hij daarnaast bokskampioen in Oostenrijk was geweest. Hij was ‘oersterk’, ‘iemand waarvoor de bewakers ontzag hadden’, zo stelde de zoon van een mede-kampgevangene die Kerner na de oorlog leerde kennen. Het zou een goede reden kunnen zijn waarom de Oostenrijkse bokskampioen niet werd gedeporteerd uit kamp Westerbork, aldus de zoon van de kampgevangene.

‘Elke dag weer word ik omringt door mensen die allemaal angst hebben voor één ding: het transport. Dat is ook de angst die mij dagelijks bekruipt. Dag in, dag uit wordt er gespeculeerd, vooral als we vrij zijn.’

In 1944 ontmoette Ulrich Kerner in kamp Westerbork Bertie Esther Visser. Bertie werd op 13 maart 1925 in Deventer geboren als dochter van Asser Benjamin Visser en Elvira Ossendrijver. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog woonde de familie Visser in Amsterdam. In augustus 1942, de zeventienjarige Bertie was net begonnen aan een baantje bij een boekhouder, werd vader Asser opgepakt en naar kamp Westerbork gestuurd. In het archief van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork bevindt zich een collectie brieven die door Bertie en haar familie aan vader in Drenthe werden gestuurd. In meerdere brieven, vaak geschreven vanaf kantoor, probeerde Bertie haar vader gerust te stellen. Ze schreef over haar werk, over de thuissituatie en over de pogingen Asser met hulp van de Nederlandse Hervormde Kerk – het gezin had zich voor de oorlog tot het christendom laten bekeren – vrij te krijgen. Geslaagde pogingen: op 16 augustus 1942 werd Asser Visser na een verblijf van enkele weken uit Westerbork vrijgelaten.

Kort na vaders vrijlating dook de familie Visser onder. In juni 1944 werden Bertie en haar vader in Leiden in de buurt van de woning van onderduikgevers Piet en Miet van der Klugt opgepakt en naar Westerbork gestuurd. In de strafbarak – barak 67 – ontmoette Bertie de daar werkzame Ulrich Kerner. Haar christelijke achtergrond zorgde ervoor dat Bertie na een kort verblijf naar het reguliere kamp werd overgebracht; haar relatie met Uli Kerner dat zij tot het einde van de oorlog van transport gevrijwaard bleef. Haar vader deelde dit geluk niet. Hij werd op 3 september 1944 met één van de laatste treinen naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd. Asser Visser overleefde de oorlog uiteindelijk niet.

Na de bevrijding mocht Bertie Visser op 30 mei 1945 kamp Westerbork verlaten. Ze vertrok naar Amersfoort, korte tijd later gevolgd door Ulrich. In Amersfoort begon Kerner een verhuisbedrijf, de UKO – Ulrich Kerner Oestenreich. Bertie en Ulrich trouwden en kregen drie kinderen.

Brief uit kamp Westerbork van Bertie Visser, 1945.

Ulrich Kerner overleed in 1989 in Amersfoort. Hij ligt begraven in Utrecht. Bertie stierf in februari 2014 in Leusden.

Het fictieve “dagboekfragment” van Bertie Visser, opgetekend door Nadesche Elzen en Irene Kooistra.

´Na een lange dag gewerkt te hebben schuifel ik, doodop van het harde werken, terug naar de barak. De barak… . Ik zit hier nu zo’n vier maanden. Mensen komen en gaan… . Tja, veel te zeggen over de barak waar ik nu leef heb ik niet. Ja, dat het saai is, en dat ik geen privacy heb. Elke dag weer word ik omringt door mensen die allemaal angst hebben voor één ding: het transport. Dat is ook de angst die mij dagelijks bekruipt. Dag in, dag uit wordt er gespeculeerd, vooral als we vrij zijn. Nou ja, vrij wil ik het niet noemen… . Nog steeds opgesloten in dit kamp lopen we rondjes, zoeken vermaak door middel van muziek of andere zaken die ons eigenlijk niet zo veel interesseren. Tijdens deze ¨vrije tijd¨ speculeren we over wat er zou gebeuren als we op transport moesten. Of wat de toekomst ons zou brengen, als die er al is. Er is één ding dat vaststaat: de spanning is iedere dag weer te snijden in dit kamp.  Ik kan me nog goed herinneren hoe het eerste transport werd aangekondigd. Opeens stond er midden in de nacht een man in de deuropening van onze barak met in zijn handen papieren met namen van degenen die mee moesten. Ik wist niet of ik nou verheugd of verdrietig moest zijn. De vraag of ik hier ooit wegkom blijft door mijn hoofd speculeren. Elke dag weer… .´