Werner Neumann & Ruth Jacobi

Els van Rijn-Zandstra schreef een boeiend portret over Werner Neumann, Wimpie voor vrienden, die samen met zijn vrouw Ruth Jacobi vanaf 29 september 1943 in kamp Westerbork gevangen zat.

Aankomend transport.

Werner Neumann & Ruth Jacobi

Het is een zonnige dag, woensdag 29 september 1943. Rond half twee ‘s middags boemelt een overvolle trein Durchgangslager Westerbork binnen. Een uitzonderlijk transport uit Amsterdam komt aan. De laatste grote razzia heeft daar plaatsgevonden. De voorzitters en werknemers van de Joodse Raad hebben zich moeten melden.

De trein stopt kreunend te midden van de barakken. Bij het uitstappen krioelt het van de mensen. Het zijn om en nabij 2.000 ontredderde mannen, vrouwen en kinderen, verloren met hun bagage en met elkaar. Onder hen Werner Neumann, 35 jaar oud, werknemer van de Joodse Raad en zijn echtgenote Ruth Neumann-Jacobi, 33 jaar, hoedenmaakster.

Werner en Ruth zijn beiden geboren in Berlijn, hij in 1908, zij in 1910. Zij zijn 24 en 22 jaar oud als Adolf Hitler aan de macht komt. Vanaf dan wordt hen, Joden, het leven moeilijker en moeilijker gemaakt. Na zo’n drie jaar van onderdrukking en toenemende terreur nemen zij allebei een grote en radicale beslissing: ze vluchten naar Nederland. Op 7 maart 1936 schrijft een ambtenaar van de burgerlijke stand in Amsterdam Werner Neumann bij, in het Nederlandse bevolkingsregister. Hij noteert in het vak adres: diverse adressen. Ruth staat ingeschreven vanaf 20 mei 1936. Adres: Rijnstraat.

Wij weten niet of Werner en Ruth elkaar in Duitsland al kenden. Ze trouwen op 24 februari 1937 in Amsterdam. Een half jaar later woont het echtpaar in de Scheldestraat in Amsterdam-Zuid, een wijk waar veel gevluchte Duitse Joden wonen, vaak samen met meerdere op één adres.

Zij worden overvallen door Hitlers inval in Nederland en de overname van het Nederlandse gezag door het Duitse regime. ‘Wat gaat er met ons gebeuren?’ vragen zij zich angstig af. Gaandeweg sluit ook in Nederland het nazi-web zich om de Joodse bevolking.

Werner en Ruth zien vanaf juli 1942 Joden uit Amsterdam “verdwijnen”. Zijzelf weten jarenlang razzia’s en deportatie te ontlopen. Werner heeft een baan als kantoorbediende bij de Joodse Raad weten te krijgen en woont daardoor tot eind september 1943 legaal in Amsterdam. Ruth is als Christelijk gedoopte Jodin ook nog gevrijwaard van deportatie. Nog.

Het gewone leven, voor zover je daarvan nog kunt spreken, gaat ondertussen door. Er wordt ontbeten, gewerkt, gepraat, gekookt, gefietst. Werner doet aangifte van diefstal van zijn fiets, merk Locomotief, waarde 120 gulden.

Ze spelen kaart, bespreken veel met elkaar, vieren verjaardagen. Ze hebben geluk, ze hebben relaties, ze zijn gezond en handig: ze zullen niet op transport gesteld worden.

Op 29 september 1943 is er geen pardon meer. De laatste Joden van Amsterdam, de voorzitters en alle medewerkers van de Joodse Raad worden gedeporteerd naar Westerbork.

Na aankomst, registratie en nadat zij waardevolle bezittingen hebben moeten afgeven aan medewerkers van de roofbank Lippman & Rosenthal, zoeken Werner en Ruth de barak op die hen is toegewezen: barak 60, met een mannen- en vrouwenafdeling. Juist een dag tevoren zijn in deze barak maatregelen genomen tegen kleerluis. De barak is met de nieuw aangekomen mensen overvol.

Ruth en Werner moeten zich schikken naar het kampleven: de drukte, de krapte, het gebrek aan privacy en bovenal de angst voor deportatie, voor de treinen, voor de transportlijsten. Ruth vraagt drie dagen na aankomst een ‘Rückstellung’ aan voor Werner en haarzelf omdat zij Christelijk gedoopt is. Vijf dagen later valt de beslissing: ‘Zurückgestellt bis auf weiteres’. Uitstel van deportatie tot nader order, ook voor Werner. Later wordt ‘Sperrung bei Ehemann aufgehoben’. Onzekerheid blijft in het kamp, altijd, voor iedereen.

Werner werkt bij de bakkerij. Op den duur bewonen ze een huisje, wat een groot voorrecht is. Hier hebben ze privacy en kunnen ze vrienden en kennissen ontvangen. Ze krijgen ’s avonds vaak bezoek van Hans Bial, een Duits Joodse vluchteling die al lang in het kamp zit en enige invloed heeft. Ze spelen kaart, bespreken veel met elkaar, vieren verjaardagen. Ze hebben geluk, ze hebben relaties, ze zijn gezond en handig: ze zullen niet op transport gesteld worden.

Werner en Ruth maken de bevrijding van het kamp op 12 april 1945 mee. Eind juni keren ze terug naar Amsterdam.

Het echtpaar zal op 1 februari 1949 scheiden. Werner hertrouwt in datzelfde jaar met Ruth Wachsmann, ceramiste. Zij emigreren in 1953 naar de Verenigde Staten. Hun spoor loopt hier dood.

Ruth hertrouwt in 1950 met de elf jaar oudere Herbert Rummelsburg, vrouwenarts. Zij wonen in Amsterdam-Zuid, waar hij praktijk houdt. In 1995 overlijdt Ruth, 84 jaar oud. Zij wordt begraven op begraafplaats Gan Hasjalom in Hoofddorp, naast haar man, die eerder overleed. Ruth liet geen kinderen na.