Wolf Graetz

Wolf Graetz (1926) vertelt over de relatie met zijn ouders, het vertrek naar Nederland en zijn leven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een portret van Els van Rijn-Zandstra.

Kamp Amersfoort tijdens de Tweede Wereldoorlog. Collectie Nationaal Monument Kamp Amersfoort.

Wolf Graetz

Moeder
‘Annemarie Erfurth (geboren te Dresden, Duitsland). Het was een groot huis aan de westkant van Dresden, waar ik met mijn ouders woonde, samen met een “nurse”. Mijn moeder had weinig tijd voor mij. Die had één belangstelling, dat was tennissen. Langdurig heb ik bij mijn grootouders gewoond, die een heel groot huis bewoonden dat zelfs “palais” heette: Palais Lüttichau. Mijn grootvader was een zeer bekend portretfotograaf in Duitsland. Ik heb na de scheiding, eind 1933, nog wel contact met mijn moeder gehad, ook na ons vertrek naar Nederland.’

Vader
‘Karl Felix Graetz (geboren 28 april 1892 te Dresden, Duitsland). De relatie vader-zoon was uiterst dun, mag ik wel omschrijven. Waarom mijn ouders zijn gescheiden? Dat heb ik nooit kunnen achterhalen. Vreemd genoeg ben ik aan mijn vader toebedeeld. Hij is hertrouwd in 1934.
Hij werkte vóór mijn geboorte in het bedrijf van mijn grootvader in Dresden. In 1925 is het bedrijf opgeheven. Wat hij daarna gedaan heeft, überhaupt de rest van zijn leven, heb ik vrijwel niks van kunnen achterhalen. Ik weet helemaal niks over de herkomst van de financiën en dat is voor mij heel erg.’

Opvoeding
‘Ik ben nogal afgescheiden opgevoed, voorzover er van opvoeding sprake was.
Ik kwam nergens, ik had geen vrienden, dat werd afgehouden. Ik heb van mijn vader geleerd, het werd me als het ware opgedrongen: je bent op jezelf, je hebt geen vrienden, je hebt niemand nodig. Punt.’

Jood-zijn
‘Ik heb pas op mijn achtste jaar te horen gekregen, heel voorzichtig, lepeltjesgewijs, dat mijn vader van Joodse afkomst was. Mijn grootouders waren orthodox Joods. Hij heeft zich laten dopen, voordat hij opgeroepen werd voor militaire dienst. Ik wist van het Jodendom absoluut geen letter. Ik ben protestants opgevoed, maar daar merkte ik feitelijk niets van, geen praktijk. Mijn religieuze achtergrond is bijna nul, in welke richting dan ook. Mijn echte moeder was niet Joods en ik was dus “Halbjude”. De anti-Joodse maatregelen troffen mij niet. Ik droeg geen ster en ben gewoon naar school gegaan.’

Emigratie
‘Wij moesten vertrekken “want mijn ouders zijn Joods van afkomst”, zo zei mijn vader. Hij is eerst gegaan en daarna zijn mijn stiefmoeder en ik naar Nederland gereisd, in 1935. In eerste instantie zijn we in Amsterdam terecht gekomen, op kamers, daarna in Den Haag. We bewoonden de eerste en tweede verdieping van een grote villa, beneden was een kantoor van iemand anders. Waarvan betaalde mijn vader dit? Ik weet het niet.’

School
‘Het enige wat ik over Dresden nooit in mijn herinneringen heb kunnen terugvinden is mijn eerste school, de lagere school. We zijn dus naar Den Haag verhuisd en daar ben ik naar school gegaan, een Nutsschool. De directeur van die school was NSB’er en bevriend met mijn vader. Daarover heb ik altijd vraagtekens gehad. Daar heb ik twee jaren ingehaald. Ik heb mijn toelatingsexamen HBS kunnen doen, ondanks die gebrekkige achtergrond, en ik heb 2 jaar in Den Haag op de HBS gezeten. We verhuisden naar Utrecht, Wilhelminapark, later Catharijnesingel, en daar heb ik met enige onderbrekingen mijn schooltijd doorgebracht.

Ik was op school de enige met een Duitse achtergrond en ik was óf de Jood óf de mof.

Na mijn terugkeer uit Westerbork in 1945 ben ik weer naar school gegaan en toen bleek dat de leerlingen allemaal hun eindexamen cadeau kregen. Maar ik had die laatste maanden niet op school gezeten; ik moest nog een jaar naar school. Dat was echt niet leuk, want ik zat tussen allemaal knapen die a. jaren jonger waren dan ik en b. niks hadden meegemaakt. Ik heb mijn eindexamen toch nog gehaald.’

Vrienden
‘Ik was op school de enige met een Duitse achtergrond en ik was óf de Jood óf de mof.
Op de HBS in Den Haag had ik één vriend. Op de lagere school: nul. Toen mijn vader en stiefmoeder naar Gouda vertrokken ben ik bij mijn vriend in huis gekomen. Daar heb ik een hartstikke leuke tijd gehad, we hadden heel veel plezier en zijn allebei blijven zitten. Vader was Nederlander, moeder was Indisch. Ik had ook in Utrecht op school één vriend. Deze ene, die uitgerekend Isaac heette, was zeer gereformeerd; dat was bijzonder. Met zijn ouders had ik ook goed contact. Met zijn ouders! Met mijn ouders had ik geen contact.’

Kampen
‘Ik ben één keer naar Vught geweest om iets naar mijn stiefmoeder te brengen. Eten of kleding, dat soort zaken. Ik werd bij de poort tegengehouden, moest het afgeven en of ze het ooit heeft gehad weet ik niet. Ik ben ook een keer in Westerbork geweest om iets te brengen, toen zij daar zat in afwachting van de uiteindelijke deportatie naar Theresiënstadt.
Ik kreeg het idee om het zuidelijke, reeds bevrijde deel van Nederland te bereiken, om me bij de geallieerden te voegen. Begin oktober 1944. Ik was 18 jaar. Ik ben daarmee begonnen, gewoon in mijn eentje, te voet en meerijden met anderen. Ik ben gekomen tot Buren bij Tiel. Daar werd ik door een willekeurige Duitse post aangehouden: “Papieren!” Ik had valse papieren en ook toestemming om naar dat gebied te gaan om eten te halen. Ik ben opgepakt en daar te werk gesteld: het spitten van eenmansputten, van die eenmansgaten.
Later ben ik verhoord, omstreeks Kerstmis 1944, door de Sicherheitsdienst op de Maliebaan in Utrecht. Daar ben ik meerdere malen nogal onvriendelijk verhoord, als ik het daarop mag houden. Uiteindelijk hebben ze me naar het Huis van Bewaring overgebracht, eerst op het Wolvenplein, later op de Gansstraat.’

Kamp Amersfoort
‘Ik ben naar Amersfoort gebracht. Daar werd mij verteld: “U wordt vanaf dit moment, omdat u zich hebt misdragen, als Jood beschouwd.” In die tijd waren er bijna geen Joden meer in Amersfoort, dus ik was helaas de uitzondering. Ik heb in barak 4 gezeten en ik ben te werk gesteld in de bossen in de omgeving.
Ik heb één ding geleerd, sowieso vóór die tijd al, voor de rest van mijn leven: kom voor jezelf op, blijf jezelf en zorg ervoor dat ze niet te dicht bij je komen; maak een schild.
Ik heb uit Amersfoort – ik heb daar maar een maand gezeten – nul herinnering aan contacten. Ja, Kotälla, Westerveld en dat soort figuren natuurlijk wel, vooral omdat ze zich af en toe met mij bezig hielden. Slaan, Kotälla. Ik heb verschillende malen van Kotälla op mijn lazer gehad, in het bos. Met de hond kwam hij langs met zijn stok: “O dat is die Jood”, huppeta. Ik was nummer 10083. Je was geen mens, je was een nummer.’

Kamp Westerbork
‘Eind januari 1945 ben ik overgebracht naar Westerbork, alleen. Ik kwam daar en het was ten opzichte van Amersfoort, hoe gek het mag klinken, een vooruitgang. Ik kreeg behoorlijk eten, je had een klein beetje vrijheid, je kon lopen door het kamp zonder dat je op je lazer kreeg.
Er komt een heel, heel bijzonder verhaal. Op een goed moment, nog in de bezettingstijd, loop ik in het kamp en er komt een meneer naar mij toe. Dat blijkt mijn vader te zijn, die als onderduiker in Amsterdam was gepakt. Hij wist niet dat ik hier zat. Ik wist niet dat hij gepakt was; ik wist zelfs niet dat hij ondergedoken was geweest.
De relatie is op dezelfde manier voortgezet als vóór die tijd, namelijk nul.’

Bevrijding
‘Het bericht kwam dat de Canadezen naderden, uit zuidelijke richting. Er ontstond een vorm van angst in het kamp. Er werden verhalen verteld dat de Duitsers elders in kampen de gevangenen óf hadden weggevoerd óf hadden uitgeroeid vanwege de aanstaande bevrijding. We waren echt bang.
Toen ze uiteindelijk kwamen, probeerden we natuurlijk in de richting van de poort te gaan, want daar kwamen ze binnen, de Canadezen. Iedereen was reuze enthousiast: “Het is afgelopen, we zijn vrij!” Juichen. Ik kreeg chocola en sigaretten. Het was in de eerste plaats een opluchting dat er niks gebeurd was. In de tweede plaats dat het afgelopen was, dat we echt het idee hadden: dat schorem komt niet terug.
Je werd opnieuw geregistreerd, je verhaal moest je vertellen en dan kreeg je allerlei papieren, dat je dus het kamp uit mocht, enzovoorts. Maar ik kon niet naar huis; ik woonde in Utrecht, dat nog bezet was.
Ik ben op 28 juni 1945 uit Westerbork weggegaan, achterop een motorfiets naar Utrecht gereden. Ik vond mijn vader niet meer op de Catharijnesingel, maar ze vertelden me daar waar hij was. Hem was een volledig gemeubileerd huis van een NSB’er toegewezen. Daar heb ik nog ruim een half, driekwart jaar gewoond, in een gezin waar ik in het geheel niet thuis hoorde. Met mijn stiefmoeder had ik überhaupt geen contact. Ik heb haar ook nooit moeder genoemd. Er waren intussen twee kinderen, die ondergedoken waren geweest; de derde was van ’48, die was er nog niet. De relatie was langzamerhand zodanig dat ik zei: “Ik moet hier weg.”
Ik heb mijn school afgemaakt en ben het huis uitgegaan.’

Nawoord
Een ‘Koninklijke Boodschap’ van 13 juli 1950 aan de Tweede Kamer der Staten Generaal luidt: ‘wij bieden U hiernevens ter overweging aan een ontwerp van Wet tot naturalisatie van H. B. en 19 anderen.’ Wolfgang Karl Arthur Graetz is een van die negentien. Hij is dan 24 jaar.
Twee jaar later krijgt hij zijn oproep voor militaire dienst. Hij maakt carrière in het leger en zal het tot ‘Officier bij de Contra Inlichtingen Dienst’ (CID) brengen.
Na zijn pensionering, op zijn 55ste, wordt hem door de Stichting 1940-1945 gevraagd te helpen achtergrondgegevens uit te zoeken van mensen die buitengewoon pensioen aanvragen. Een uitkering op grond van fysieke of psychische schade, opgelopen in de oorlog. Dit werk doet hij 21 jaar lang met grote voldoening.
Rond het jaar 2002 komt Wolf Graetz via Joods Maatschappelijk Werk in contact met een groep mensen met een Joodse achtergrond. Zij zien elkaar regelmatig en praten over hun ervaringen. Hij ontmoet gelijkgestemden die begrijpen wat hij heeft meegemaakt. Hij vindt het ongelooflijk gezellig. Hij voelt zich thuis.