Maurits en Jacob van Dam

Van de 2.500 Joden uit de stad Groningen, overleefden slechts 225 de oorlog. De broers Maurits (1894) en Jacob van Dam (1896) zaten meer dan een half jaar in kamp Westerbork gevangen, maakten de bevrijding in het kamp mee, en keerden terug naar hun geliefde stad.

De synagoge van Groningen.

Maurits en Jacob van Dam

Maurits en Jacob van Dam waren twee van de ongeveer 225 Joden uit de stad Groningen die de Tweede Wereldoorlog wisten te overleven. Voor de oorlog kende Groningen een bloeiende gemeenschap, met een rijk verenigingsleven op cultureel, religieus, pedagogisch en sociaal gebied. Alhoewel er sprake was van bittere armoede, behoorden de meeste van de bijna 2.500 Joden in 1939 tot de middenstand. Zij waren handelaar, ambtenaar bij het rijk of de gemeente, arts, of jurist.

De aan de Stadhouderslaan 54a woonachtige Maurits van Dam werkte lange tijd in de rijwielhandel van zijn jongere broer Jacob van Dam (1896) in het centrum van de stad. Beide broers waren getrouwd met niet-Joodse vrouwen: Maurits met Elsien Klugkist, Jacob met Geessina Harmke Lottering.

Onderweg daar naartoe zei Lemke tegen mij dat ik de waarheid moest spreken. Onderweg gaf hij mij met volle kracht met één van zijn vuisten een slag tegen mijn rechteroog. Ik zakte ten gevolge van deze mishandeling, waarvan ik zeer veel pijn ondervond, ineen.

De deportaties, die op 10 juli 1942 in Groningen begonnen, gingen in eerste instanties vanwege de niet-Joodse achtergrond van hun echtgenotes, aan Maurits en Jacob voorbij. In 1944 werden de broers alsnog opgehaald en naar de gevangenis van Groningen gebracht. ‘Jacob werd de kelder van zijn winkel uitgesleurd. Hij is op een vreselijke manier mishandeld, het bloed zat op de muren. De gebeurde voor de ogen van zijn vrouw en kinderen, waarvan sommigen nog peuters en kleuters waren. Na terugkeer uit Westerbork heeft Jacob nooit meer gesproken over wat er tijdens de oorlog gebeurd is. De herinneringen aan de arrestatie spelen mijn moeder, tantes en oom nog dagelijks parten’, aldus kleindochter Dominique Almeida.

Na enige tijd werden Maurits en Jacob vanuit Groningen naar kamp Westerbork gevoerd. ‘Gegen Mittag ist ein Auto met 22 in Mishehe lebenden Groningern angekommen – alle mit “S”. Warum man gerade die hergebracht hat, is noch nicht deutlich. Übrigens gibt es seit Mitte Sept. keine S-Baracke mehr, die Leute sind in Bar.21 untergebracht und werden wie alle andere behandelt, tragen auch keine besondere Kleidung mehr’, zo schreef kampgevangene Hans Bial op 30 september 1944 over de groep waartoe Maurits en Jacob behoorden in zijn dagboek.

Gedurende zijn tijd in kamp Westerbork kwam Maurits van Dam in pijnlijke aanraking met één van de Duitse bewakers van het kamp, een Oostfrontveteraan genaamd Heinz Lemke. Na de bevrijding werd Maurits opgeroepen om te getuigen tegen deze Lemke. In aanloop naar het proces werd zijn getuigenis bij hem afgenomen door de Gemeentepolitie van Assen. Tegenover de politiebeambte verklaarde Van Dam dat hij in februari 1945 door Lemke was aangesproken op vermeende diefstal van aardappelen bij de keuken. Na zijn, in de ogen van de bewaker, onbevredigende antwoord had deze hem meegenomen naar de commandant, Albert Konrad Gemmeker.

‘Onderweg daar naartoe zei Lemke tegen mij dat ik de waarheid moest spreken. Onderweg gaf hij mij met volle kracht met één van zijn vuisten een slag tegen mijn rechteroog. Ik zakte ten gevolge van deze mishandeling, waarvan ik zeer veel pijn ondervond, ineen.’

Na het incident werd Maurits, tot dan werkzaam in de reinigingsdienst, naar de gevangenis van het kamp gebracht, waar hij op order van Gemmeker tot de bevrijding zou verblijven. Al die tijd stond hij vanwege het letsel aan zijn oog onder behandeling van het hoofd van het ziekenhuis, Dr. Fritz Spanier.

Op 18 april 1945, 6 dagen na bevrijding van het kamp, verlieten Maurits en Jacob van Dam zonder toestemming kamp Westerbork en keerden zij terug naar hun gezin in Groningen.

Jacob van Dam is op 24 november 1975 overleden.